Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

arrest van 1885 gegrond toe. Dit geval zal zich echter wel niet licht voordoen. — Vgl. ook no. 34 hiei'vóór.

g. Of een wettelijk voorschrift, niet afkomstig van den Rijkswetgever, den strafrechter het hierboven sub f aangeduide praejudicieele onderzoek mag onttrekken, hangt m. i. af van de strekking der bepaling in de Rijkswet, waarop het wettelijk voorschrift steunt (b.v. artt. 153 Prov. wet en 1796 Gem.wet, vgl. hiervóór nos. 38 en 39). — Zie ook nos. 24 jo. 23 hiervóór.

§ 3.

's Rechters gebondenheid bij de beoordeeling van praejudicieele of incidenteele kwesties aan de beslissingen van anderen x).

A. Gebondenheid van burgerlijke, straf- en administratieve rechter aan eikaars uitspraken 2).

43. a. Algemeene opmerkingen.

Onze wetgeving bevat omtrent de hier onder A behandelde gebondenheid slechts enkele bepalingen betreffende die van den burgerlijken rechter aan strafvonnissen, zie no. 53 hierna. Volgt nu uit het zwijgen der wet dat de verschillende rechters zich overigens om eikaars beslissingen niet hebben te bekommeren ? — Zeker niet bij de opvatting van Laband, Staatsrecht des deutschen Reiches III, 4e ed. (1901) p. 352, die zegt dat het bevel in elke rechterlijke uitspraak vervat: „nicht nur an die Parteien ist... gerichtet, sondern er erstreckt seine Wirkungen auch auf die Staatsbehörden, insbesondere auf die Gerichte selbst."

Blijkens hetgeen t. a. p. verder wordt gezegd over de Feststellungsurteile bedoelt Laband hier, dat het zooeven aangeduide

1) Vgl. de noot op p. 195—190 hiervóór.

2) Onder den administratieven rechter wordt hier inbegrepen de administratie, voorzoover zij rechtspraak uitoefent.

Sluiten