Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4L 5. c. Gebondenheid van den burgerlijken rechter aan beslissingen van administratieve rechtspraak.

aa. Deze gebondenheid kan in de eerste plaats volgen uit bizondere wetsbepaling '). Is die niet aan te wijzen, dan hangt het al dan niet bestaan der hier bedoelde gebondenheid in de eerste plaats af van de beantwoording der vraag, of in het algemeen de beslissingen van den administratieven rechter gezag van gewijsde hebben. Wegens de ontstentenis van wettelijke bepalingen daaromtrent worden we dan hier gesteld voor deze kwestie van ruimer strekking, of het gezag van gewijsde enkel bestaanbaar is krachtens speciale wetsbepaling. Deze laatste vraag is ook overal van belang, waar de wettelijke bepalingen omtrent het gezag van gewijsde dit niet naar alle richtingen omvatten — Zie nader het volgend no. 46.

Over het gezag van gewijsde in de administratieve rechtspraak

1) Om mogelijk misverstand te vermijden, worde aangeteekend, dat ik deze uitdrukking niet gebruik in de beteekenis van een voorschrift, enkel geldend voor vonnissen in bepaald aangeduide zaken tegenover een algemeen voorschrift betreffende een geheele rubriek van rechterlijke uitspraken. In dien zin spreekt Viïiunga in Themis 1905 p. 5 nt. 2 (waar overigens daden van zuivere administratie en van rechtspraak op één lijn worden geplaatst; vgl. Vitringa, geciteerd op p. 1 van dit werk) — van bizondere en algemeene wetsbepaling. Door mij daarentegen worden tegenover elkaar gesteld een wetsbepaling, welke speciaal handelt over het gezag van gewijsde, en die, welke de competentieopdracht aan den rechter bevat.

2) Dit is b.v. naar ons geldend B. W. ook in burgerlijke zaken tot op zekere hoogte het geval, wat echter hier niet nader kan worden uiteengezet. — Men denke ook aan de beslissingen van den strafrechter op de civiele vordering der beleedigde partij ; vgl. de eerste noot op no. 58 hierna. Men denke verder aan de kwestie of artt. 1953 vlgg. B. W. ook gelden, waar de rechterlijke macht in zuiver publiekrechtelijke geschillen rechtspreekt, vgl. p. 163 v. b. hiervóór. Zoo neen, en neemt men toch gezag van gewijsde voor deze beslissingen aan, dan rijst ook hier de vraag, in hoever zij dit gezag hebben inter partes of inter omnes (vgl. no. 47 hierna). Het laatste zou b.v. misschien kunnen aangenomen voor de uitspraak van den H. R. krachtens artt. 16—17 der Uitleveringswet van 6 April 1875 Stbl. 66.

Sluiten