Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet van toepassing is. Zie nader daaromtrent nos. 57 en 58 hierna.

55. cc. Tegen het aannemen van gezag van het strafvonnis in het burgerlijk geding wordt (de iure constituendo) door J. A. Levy, Het B. W. verklaard door Opzoomer, 14 (1904) p. 242 v. o., aangevoerd dat een zaak, uit het oogpunt van strafrecht, is een andere dan uit het oogpunt van civiel recht. — Een gelijken gedachtengang volgde ook de Regeering bij Voorduin, aangehaald p. 302 hiervóór, en (de iure constituto voor Fransch recht) Griolet, De 1'autorité de la chose jugée... (1868) geciteerd in Lacoste's op p. 304 hiervóór vermeld werk, no. 1160, p. 397. De bestrijding van Griolet door Lacoste, 1.1. no. 1197, p. 408, is meer gericht tegen de nadere ontwikkeling van G.'s zienswijs door dezen dan tegen het door hem verkondigde beginsel, i— Intusschen is het de vraag, of het argument van Levy c. s., hoe juist ook op zichzelf, afdoende is, hetzij naar geldend recht, hetzij de lege ferenda. Het gaat stilzwijgend uit van de onderstelling dat men geen gezag van gewijsde kan inroepen, als de zaak niet dezelfde is. Dit nu moge juist zijn voo]- het ne bis in idem, — de positieve kracht van het vonnis kan zich uiten in een ander geding, al is dit niet gelijk aan het vorigex). Om die reden moet het bedoelde argument als zoodanig in deze worden gewraakt.

5C. dd. In Frankrijk is de heerschende leer deze, dat het strafvonnis den burgerlijken rechter bindt (althans voor de vordering tot schadevergoeding) ten opzichte van de bewezenverklaring der feiten en van de kwaliflkatie, doch niet ten aanzien van civielrechtelijke verhoudingen, die element zijn van het delikt Ygl. Lacoste (geciteerd p. 304 hiervóór) nos. 908— 914, p. 315—318, over het gezag van gewijsde van het strafvonnis in het algemeen; nos. 1065—1087, p. 362 — 371, over dit gezag ten aanzien der civiele vordering tot schadevergoeding,

!) B.v. als A van B een proces over eigendomsrecht won, kan A die beslissing tegenover B doen gelden in een later geding over erfdienstbaarheid, mocht B daarin A's hoedanigheid van eigenaar tegenspreken.

20

Sluiten