Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

österr. allg. Priv. rechts II, 4e ed. 1876 p. 624, het slot van nt. 16. — Misschien danken aan haar bij ons de artt. 265, 885 nos. 1 en 2, 959 aanhef, en 1418 lid 1 B. W., alsmede art. 265 Swb. haar redaktie, gelijk mede de wetsbepalingen voor beslissingen over valschheid in geschrifte (vgl hiervóór p. 176). Bij deze artt. moet echter niet over het hoofd worden gezien dat het alle uitzonderingsbepalingen zijn (misschien ook als zoodanig althans voor een deel te verdedigen), die niet kunnen bewijzen dat naar Ned. recht in het algemeen het strafvonnis feiten bindend vaststelt1). — Mocht dit laatste echter wèl zoo zijn, dan zal, als de strafrechter b.v. A veroordeelt wegens het wegnemen van een paard, aan B toebehoorende, ook dit geheele complex volgens het strafvonnis vaststaan, dus mede B's eigendom, althans tegenover A (vgl. het vorig no. 56); en die eigendom in het burgerlijk geding dan zonder tegenbewijs, zoo men aan het woord „feit" in art. 1955 B. W. de beteekenis hecht van hetgeen materieel is geschied (vgl. hiervóór nos. 53 en 54).

Oogenschijnlijk steun vindend in de gebruikelijke inkleeding van het veroordeelend strafvonnis, schijnt bedoelde opvatting mij toe meer waarde te hechten aan den vorm dan aan het

met aanhaling (1.1. p. 1, 3—5, 10—12) van oudere litteratuur, en Endemann in genoemd tijdschrift 41 (1858) p. 333—335, vertaald door J. A. Levï op art. 1955 B. W. — Zie mede Glaser, Handb. des Strafprozesses II p. 89 nt. 3 : in het strafproces wordt «die civilrechtliehe Frage an sich gar nicht entschieden". Vgl. ook p. 311 hierna.

!) De genoemde bepalingen in de wetgeving van 1838 zijn ontleend aan de Fransche codifïkatie, welker voorschriften op dit punt weer wortelden in de opvattingen der oud-Fransche rechtspraktijk. Deze ging volgens Audinet (geciteerd p. 304 hiervóór), no. 4, p. 123—125, uit van het bindend gezag van het strafvonnis voor den civielen rechter. M. i. ligt het voor de hand dat, nu artt. 1955 en 1956 B. W. een ander stelsel huldigen dan het oudFransche, -— de vroegere opvattingen, al werken ze na in sommige nog bestaande bepalingen, niet als argument mogen aangevoerd voor de stelling, dat voor zoover art. 1955 niet geldt, absoluut bindend gezag van het strafvonnis in de civiele zaak bij ons zou bestaan, en evenmin de artikelen zelf, waarin de bedoelde nawerking dier vroegere opvattingen nog te vinden is.

Sluiten