Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steunende rechterlijke gebondenheid, niet in den weg staat. Hieruit volgt dan dat een vroegere uitspraak, wier gezag voor iedereen geldt, door den strafrechter moet worden aanvaard als uitgangspunt, om mede tot grondslag te strekken voor zijn in de strafzaak te vormen overtuiging1), die er niet door wordt gepraejudicieerd voor het overige, b.v. wat beklaagdes opzet betreft; vgl. ook no. 59 hiervóór. — Is men daarentegen van meening dat art. 391 Sv. deze zienswijze niet gedoogt, dan gaat dit toch enkel op, voorzoover de vroegere rechterlijke uitspraak in het nadeel van den beklaagde is, daar het artikel alleen betrekking heeft op veroordeelende strafvonnissen, — en zal dus in het andere geval de eerste uitspraak, als deze gezag heeft voor iedereen, den strafrechter kunnen binden, zonder dat art. 391 dit belet.

Het bovenstaande is eveneens van toepassing, waar de uitspraak van den administratieven rechter slechts partijen bindt, indien men moet aannemen dat de administratie en het O. M. beide den Staat vertegenwoordigen, en dat daarom 'ingeval beklaagde partij was in het administratief geschil, de partijen hier dezelfde zijn als die in het strafgeding. Vgl. ook hieronder in dit no. 62 sub cc, en het volgend no. 63. Natuurlijk is het anders zoo in de administratieve zaak niet de Staat partij was, maar een andere publiekrechtelijke korporatie, optredend voor eigen belangen.

De beantwoording der vraag, in hoever de zienswijze juist is als moet, waar in het administratief geding een administratief orgaan, in het strafproces het O. M. als partij optreden, materieel de Staat in beide zaken als de eigenlijke partij worden beschouwd, — staat in nauw verband met de opvatting die men heeft

1) De vrijspraak, gemotiveerd met gemis aan overtuiging van beklaagdes schuld, is echter niet voor controle vatbaar. — Vgl. hierbij ook hetgeen, betreffende het gezag van burgerlijk en strafvonnis over en weer, is gezegd door Endemann in Archiv für die civ. Praxis 41 (1858) f>. 334, vertaald opgenomen door J. A Levy (hiervóór in no. 55 geciteerd) p. 240—241. Daarbij merkt Levy 1.1. p. 242, terecht m. i., op dat de omstandigheid welke bewijstheorie is gehuldigd, niet van invloed is op het gezag van gewijsde.

Sluiten