Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze, dan neemt dit m. i. niet weg, dat noeh O. M. noch staatrechter kunnen ontkennen dat ingevolge een bindende beslissing, welke b.v. beklaagdes verzekeringsplicht aannam, deze verplichting na die beslissing aanwezig is; vgl. no. 43 hiervóór (speciaal nt. 1 op p. 281). Zie aldaar (p. 283 v. o.) mede over de vraag, in hoever het O. M. zich op de bedoelde uitspraak kan beroepen.

dd. Vgl. hierbij ook W. A. C. de Jonge, geciteerd p. 267 hiervóór. Zie verder R. Adv. 2 p. 36—41, waar implicite wordt aangenomen het bindend gezag eener administratiefrechterlijke uitspraak in het strafproces, — en art. 427 oud (nu art. 391) Sv. daartegen geen beletsel wordt geacht, als de competentie van den administratieven rechter berust op de Grondwet (het toenmalig art. 199 Grw. 1840).

ee. Onder het gezichtspunt der gebondenheid van den strafrechter aan beslissingen in de administratieve rechtspraak, behoort m. i. ook het geval, aangeduid door G. A. v. Hamel in T. v. S. I p. 369—370, dat n.1. krachtens art. 153 Prov. wet of krachtens art. 179& Gem.wet het administratief gezag heeft beslist omtrent de rechtmatigheid eener ambtsdaad. (Voorbeelden in no. 38 hiervóór), v. Hamel t a. p. rangschikt het, m. i. ten onrechte, onder de gevallen dat het eindoordeel over de rechtmatigheid der daad toekomt aan de administratie zelf. Hier immers beslist het administratief gezag als rechter. Niet, gelijk v. Hamel zegt, is de meening der administratie „element der rechtmatigheid", maar krachtens de administratiefrechterlijke beslissing staat de rechtmatigheid of onrechtmatigheid vast. Praktisch komt dit hier alleen dan op hetzelfde neer, als men meent dat art. 391 Sv. niet prevaleert boven het gezag van gewijsde der uitspraak des administratieven rechters, en dit gezag in het onderstelde geval voor iedereen geldt.

«3. ff. In belastingsaken neemt de jurisprudentie in het algemeen aan dat de strafrechter niet gebonden is aan een voorafgaande beslissing van den administratie ven rechter, noch als deze laatste betreft een aanslag over een ander jaar (Rb. Amst. 19 Juni 1891, in appèl Hof Amst. 25 Nov. 1891, in cassatie

Sluiten