Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64. f. Gebondenheid van den strafrechter aan civiele vonnissen.

aa. In het algemeen kan deze gebondenheid niet worden aangenomen. In den regel heeft het burgerlijk vonnis slechts gezag van gewijsde voor partijen en hun rechtverkrijgenden, zoodat het O. M. in het strafproces niet gebonden is aan het civiele vonnis, en dus de strafrechter evenmin]). In dien zin nl., dat de strafrechter, hoewel niet kunnende ontkennen dat tengevolge van het vonnis de rechtsbetrekking tusschen de toen gedingvoerenden zóó is als dit vonnis aanwijst, — mag aannemen dat zij eerst zoo geworden is door het vonnis, al bedoelt dit louter deklaratief te zijn; vgl. hiervóór nt. 1 op p. 281 en het hieronder naar aanleiding van Glaser's opmerkingen aangeteekende. — Uit het zooeven gezegde volgt echter niet dat het O. M. geen beroep mag doen op het burgerlijk vonnis, al blijft de strafrechter, als niet lijdelijk, vrij hierin het O. M. wèl of niet te volgen, met inachtneming altijd der bewijsregelen van het Wetb. v. Sv., voor zoover hierbij toepasselijk2). Ygl. ook p. 283—284 hiervóór.

1) Dit brengt m. i. mee dat een beklaagde, al was hij zelf partij in het vroegere geding en al wordt hij dus getroffen door het gezag van gewijsde der toen gegegeven beslissing, toch den strafrechter opmerkzaam mag maken op diens vrijheid om van het vroegere vonnis af te wijken.

Overigens kannen, als men in het strafproces den Staat als de partij zou moeten aanmerken, voor wie het O. M. optreedt, — partijen in de twee gedingen wèl dezelfde worden geacht in het vermoedelijk niet vaak voorkomend, maar toch mogelijke geval dat de Staat in de civiele zaak de tegenpartij was van den nu beklaagde. — Dit, tenzij men mocht meenen dat, daar het O. M. andere dan de vermogensbelangen van den Staat in het strafproces behartigt, daarom de partijen in de twee processen ook bij de. zooeven bedoelde beschouwing toch niet dezelfde zijn. Intusschen kan men ook dan, en eveneens als men meent dat in de strafzaak wèl het O. M. als staatsorgaan, doch niet de Staat zelf partij is, — toch van oordeel zijn dat het O. M. desniettemin gebonden is aan het burgerlijk vonnis, dat den Staat als partij trof; vgl. hiervóór p. 320 en 322.

2) Deze zijn geschreven voor feiten, niet voor rechtsgevolgen, hetzij civiele of publiekrechtelijke; vgl. bij Léon —Teixeira op art. 427 oud Sv. sub no. 6 (1.1. p. 1073) het daar geciteerde arr. H. R. van 17 April 1866, mede vermeld hierna in no. 96 sub b j°. no. 97 sub c. Zie ook Modderman en F. Buijs, aangehaald hiervóór in de noot op p. 250.

Sluiten