Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echter tot groote onbillijkheid kunnen leiden, en in den regel zal de administratie dan ook wel althans rekening dienen te houden met hetgeen na het vonnis de feitelijke toestand is. Ygl. hierbij Hand. Tweede Kamer 1901 — 1902 p. 1474—1476 (zaak Bruigom).

Art. 128 der Beroepswet 1902 is een speciale bepaling, die bindend gezag van burgerlijk en strafvonnis over valschheid (in geschrifte of van afgelegde verklaringen) in ongevallenzaken implicite aanneemt; vgl. hiervóór p. 176.

De iure constituendo zie no. 44 hiervóór.

O8. h. Gebondenheid van den administratieven rechter aan strafvonnissen.

Hieromtrent bestaan geen voorschriften als artt. 1955 en 1956 B. W. Met dit voorbehoud geldt in deze overigens hetgeen betreffende het gezag van het strafvonnis in de burgerlijke zaak is gezegd, dit in het bizonder ten opzichte van publiekrechtelijke verhoudingen, die element zijn van het delikt; zie hiervóór nos. 54—61, speciaal p. 313 nt. 1. — Vgl. ook J. J. Rochussen (geciteerd p. 267 hiervóór) p. 105, die geen gebondenheid van den administratieven rechter in deze aanneemt.

B. Gebondenheid van den van Staatswege aangestelclen rechter aan beslissingen van anderen, rechtspraak uitoefenend in korporatieve aangelegenheden x).

C9. Zulke gebondenheid is, waar het gold de beslissing van het bestuur eener societeit, uitdrukkelijk aangenomen door Ktg. Gron. 1 Dec. 1873 W. 3703, zie Alg. Begins. IX no. 54; vgl. ook op art. 1 R. O. sub G no. 14 i. f.

Zij schijnt in kerkelijke zaken (gelijk kan worden opgemaakt uit het beroep van het arrest op de bepaling over de vereffening

!) Vgl. hiervóór de noot op p. 209. — De in den tekst genoemde jurisprudentie onderstelt de bestaanbaarheid van korporatieve rechtspraak voor de inivendige aangelegenheden der korporatie. Daaromtrent zie op art. 1 R. O. sub G nos. 1—18. Vgl. aldaar nos. 9—11 over de vraag of' hier aan scheidsrechterlijke uitspraak moet gedacht.

Sluiten