Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft de H. R. dan ook later gelijke beslissing als in 1862 en 1863 werd gegeven, anders gemotiveerd dan hierboven is aangeduid; zie nader Alg. Begins. XVI no. 24 sub a.

Dezelfde gedachte als bij de zooeven vermelde arresten ten opzichte van art. 139 oud Prov. wet, is voor art. 141 dier wet gevolgd door sommigen, die van oordeel zijn dat aan dit laatste artikel een provinciale verordening tengevolge der koninklijke goedkeuring niet kan worden getoetst. Zoo J. Fresemann Viëtob in Bijdi. ►st.-best. 12, het slot der noot op p. 14—15. De jurisprudentie van den H. R. betreffende dit art. 141 (zie Alg. Begins. XA IIj moet intusschen in dit verband m. i. niet worden geciteerd, omdat ze wèl gewaagt van de koninklijke goedkeuring, doch zonder deze als argument te bezigen.

F. V. t. a. p. meent dat door het vereischte van koninklijke goedkeuring een bepaling als art. 150 lid 2 Gem.wet hier overbodig is. De gedachte moet dan zijn dat bedoeld vereischte althans mede beoogt de Kroon te doen waken dat de verordening niet trede in hetgeen van Rijksbelang is. Men zou echter kunnen vragen of de Kroon, overwegend omtrent de goedkeuring, niet óók behoort te waken tegen wetsovertreding. Vgl. Thorbecke, Brief aan een lid der Staten van Gelderland (1843) p. 18, die als doel van het koninklijk preventief toezicht noemt: lo. handhaving van de Rijkswetten of van het Rijksbelang. Insgelijks G. K. v. Hogendorp, Bijdragen tot de Huishouding van Staat, 2e ed. 8 p. 361. Toch is het op zijn minst zeer twijfelachtig, of op dien grond de verleende koninklijke goedkeuring moet aangemerkt als te behelzen een bindend deklaratief dat de verordening wettig is, wat dan ook in het algemeen niet wordt aangenomen door de jurisprudentie, waarnaar hierboven in dit no. 79 is verwezen. En ook de vraag, of in de goedkeuring zulk een deklaratief is gelegen over het niet treden der verordening in hetgeen van Rijksbelang is, zoodat de rechter dit punt ook dan niet zou hebben te onderzoeken, als de Regeering bij de goedkeuring mocht hebben voorbijgezien dat er omtrent het in de verordening geregelde onderwerp reeds een bepaling der Rijkswet bestond, — schijnt ontkennend

Sluiten