Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet vernietigde, hiertoe competent was; vgl. Alg. Begins. XVI no. 3 sub a. Echter zou dit althans twijfelachtig zijn, zoo bij de vernietiging rechtspraak werd uitgeoefend, omdat dan zou kunnen worden volgehouden dat ook deze rechter zijn eigen competentie vaststelt, en wel met gezag van gewijsde, hier een ieder en dus ook elk ander rechter bindend; vgl. op art. IR. O. sub D, Alg. Begins. VI nos. 9 en 11 i. f., en hiervóór nos. 45 — 47 en 62 sub aa.~ De Jonge merkt 1.1. op, dat de rechter niet mag treden in waardeering der gronden, waarop de koninklijke vernietiging berust. Dit blijft waar, al wordt de vernietiging niet als rechtspraak beschouwd. Immers de Regeering mag vernietigen, als zij oordeelt dat er wetschennis is. De vernietiging zelf blijft dus wettig, al mocht ze ten onrechte zijn uitgesproken, en moet dus reeds hierom door den rechter geëerbiedigd, zonder dat dit in strijd is met diens toetsingsrecht. (Vgl. ook G. A. v. IIamel in T. v. S. I p. 291 nt. 2). — Buitendien zou het nog de vraag zijn, of een enkel materieel onwettige vernietiging als niet geschied zou mogen behandeld; vgl. Alg. Begins. XVI no. 25 jo. no. 24.

81 '). i. Gebondenheid van den rechter aan administratieve beslissingen is aangenomen 2) door Hof Arnhem, arresten van 15 Jan. 1902 en van 13 Dec. 1905, geciteerd hiervóór p. 215; vgl. deze beide arresten op Alg. Begins. XYI nos. 5 en 31 sub e. — Mede door Rb. 's Hertog. 30 Juni 1858 W. 2106; zie ook dit vonnis nader op Alg. Begins. XYI no. 31 sub e, alsmede in hoofdstuk XVII.

83. j. H. R. 17 Mei 1907 W. 8547, R.spr. 206 § 12, P. v. J. 656, G. st. 2913 sub 9o., W. B. A. 3031, W. v. N. R. 1966, de cassatie verwerpend tegen Hof 's Hertog. 24 Dec. 1906 W. 8493, G. st. 2886, W. B. A. 3015, — overwoog dat uit het samenstel van de betrekkelijke bepalingen der Gem.-wet (artt. 113, 114, 115, 179e, 218 en 222) door het Hof terecht was afgeleid dat bij de beslissingen van het administratief gezag, vaststellend

x) Bij de hier volgende nos. 81 —80 vgl. no. 87.

2) Vgl. ook hiervóór nos. 36, 38 en 51 i. 1'. de daar geciteerde arresten 11. 11. van 23 Dec. 1907, van 10 Maart en 1 April 1902, en van 3 Mei 1864.

Sluiten