Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houdsplicht van vaarten enz. in Friesland, diss. Leiden 1898 p. 37—44, aangekondigd in W. 7341 p. 4 door J. W. Belinfante. — Zie ook J. W. C. Milders, Liggers voor openbare wegen, enz. diss. Leiden 1888 p. 15—45, aangekondigd in W. 5643 p. 4 door A. A. de P(into), en in W. B. A. 2052, waarop in W. B. A. 2058 antwoord van Milders met onderschrift der Redaktie. — Over onderhoudsplicht en verhoefslaging vgl. J. Roëll, Het Reglement op het onderhoud en gebruik der wegen in de prov. Utrecht (1872) p. 229—230.

b. De jurisprudentie neemt nagenoeg algemeen aan dat de strafrechter heeft te eerbiedigen de beslissingen omtrent onderhoudsplicht van werken, door het competente administratief gezag gegeven, hetzij bij het vaststellen der liggers, hetzij in geschillen naar aanleiding dier liggers gerezen; (vgl. bierbij ook nos. 89 en 92 hierna).

In dien zin voor liggers, opgemaakt krachtens een provinciaal reglement: H. R. 19 Febr. 1906 W. 8341 p. 2, R.spr. 202 § 37, P. v. J. 536, G. st. 2844 sub 8o., W. B. A, 2967, — en, met het voorbehoud (zie het volgend no. 89) dat de toepasselijkheid van het provinciaal reglement op het te onderhouden werk eerst moet vaststaan: H. R. 2 Nov. 1903 W. 7989,, R.spr. 195 § 12, v. d. Hon. G. Z. 47 p. 399, P. v. J 336, G. st. 2728 sub IR; vgl. ook H. R. 29 April 1907 W. 8537 p. 1 kol. 1—2, R.spr. 205 § 75. — Verder zonder het zooeven vermelde voorbehoud, implicite: H. R. 19 Nov. 1894 W. 6581, R.spr. 168 § 39, v. d. Hon. G. Z. 41 p. 103, P. v. J. 1895 no. 2, verwerpend de cassatie tegen Rb. 'sGrav. 31 Mei 1894 W. 6523, P. v. J. 1894 no. 58, G. st. 2238, waarbij met vernietiging van een in tegengestelden zin gewezen vonnis Ktg. Alphen van 9 Maart 1894 W. 1.1., P. v. J. 1.1., — hetzelfde uitdrukkelijk was aangenomen, met motiveering hieronder sub c vermeld. — Uitdrukkelijk ook werd de verplichting van den strafrechter om de krachtens provinciaal reglement opgemaakte liggers te eerbiedigen, aangenomen dooide volgende arresten: H. R. 20 Febr. 1893 W. 6311, R.spr. 163 § 21, v. d. Hon. G. Z. 40 p. 206, P. v. J. 1893 no. 26,

Sluiten