Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de onderhoudsplicht geen onderwerp is van burgerlijk recht, en een geschil er over niet krachtens de Grondwet [en art. 2 R. O.J behoort bij de rechterlijke macht. — Dit argument (ook b.v. aangevoerd door het boven sub b geciteerde vonnis Rb. 'sGrav. van 31 Mei 1894) schijnt op zich zelf weinig afdoende, als men niet aanneemt dat vaststelling van den ligger rechtspraak is (vgl. nos. 94 sub r en 98 sub b hierna').

Immers heeft de strafrechter zelfstandig onderzoek te doen, ook naar publiekrechtelijke voorvragen, die als onderwerp van een afzonderlijk geding niet tot de competentie der rechterlijke macht zouden behooren, maar van een administratief rechter (vgl. hier artt. 153 jo. 152 Prov. wet); zie no. 42 j°. no. 27 sub r hiervóór. — Wel past het hier besproken argument in het stelsel der reserve van het in no. 27 sub a geciteerde arrest H. R. van 16 Nov. 1885, maar juist in deze materie is de toepassing dier reserve bedenkelijk. In de eerste plaats doordat het daarin bedoelde voorbehoud der beslissing aan het admininistratief gezag hier voornamelijk zou moeten gezocht in art. 153 Prov. wet, dat echter niet toepasselijk is waar de provinciale verordening het vaststellen der liggers door B. en W. laat plaats hebben, terwijl art. 1796 Gem.wet dan evenmin kan ingeroepen. In de tweede plaats is de reserve van het arrest van 1885 voor strafzaken bedoeld. Hiervóór in no. 42 sub e is opgemerkt dat zij, ging ze op, voor burgerlijke zaken evenzeer reden van bestaan zou hebben, doch daarvoor in den regel niet wordt aangenomen (vgl. nos. 3 j°. 6 hiervóór). Echter wordt ten aanzien van den onderhoudsplicht ook buiten strafzaken door de jurisprudentie de rechterlijke macht gebonden geacht aan den ligger; zie no. 93 hierna.

Aan de zooeven bedoelde reserve van het arrest van 16 Nov. 1885, en aan de toepassing daarvan in de motiveering deisub nos. 36 en 37 hiervóór geciteerde arresten betreffende Drankwet en Hinderwet (vgl. speciaal de noot op p. 259), herinnert in zake onderhoudsplicht ook van de boven sub b genoemde twee arresten van 5 Okt. 1859, dat vermeld bij v. d. Hon.

Sluiten