Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wenschelijk zijn, maai" dit behoort toch alleen t6 zijn geooiloofd onder de noodige waarborgen dat niet enkel met het algemeen belang (gesteld dit vereischt het opleggen aan partikulieren) wordt rekening gehouden, maar ook met de billijkheid.

cl. De boven sub b jo. c opgenomen jurisprudentie van den H. R. wordt in het algemeen gevolgd door de lagere rechters. Zoo, behalve de reeds boven sub b bij de arresten zelf vermelde vonnissen: Rb. Dordt 9 Dec. 1904 AV. 8177; Ktg. Zutphen 8 Febr. 1898 P. v. J. 1898 no. 35; Ktg. Zuidhorn 21 Dec. 1893 P. v. J. 1894 no. 52; Ktg. Eist 12 Juli 1866 AV. 2846, alsmede de volgende beslissingen, waarbij nog is aangenomen dat, als het prov. regiement liggers voorschrijft, byj gebreke van een ligger de strafrechter den onderhoudsplicht niet aanwezig mag achten. Aldus: Rb. Assen, vonnissen van 13 Maart 1863 AV. 2487, AV. B. A. 733, en van 23 Jan. 1857 AV. 1878, R. B. 1857 p. 573,

G.'st. 308; Rb. Utrecht 19 Juni 1862 AV. 2398, bevestigend Ktg. Loenen 7 Mei 1862 AV. 1.1., waarmee zich vereenigt Roëll (geciteerd hierboven sub a) p. 186. Vgl. ook Ktg. Assen 1 tebi. 1844 AV. 481. — Op dit punt anders AV. A. C. de Jonge in Bijdr. St.-best. 17 p. 362—363, die meent dat de rechterlijke macht wèl gebonden is aan den ligger, alsmede aan de administratiefrechterlijke beslissing omtrent den onderhoudsplicht, doch dat zij waar deze twee ontbreken, de praejudicieele vraag naai publiekrechtelijken onderhoudsplicht zelfstandig mag beoordeelen. De Jonge heeft daar wel niet het strafgeding op het oog, maai hetgeen hij zegt is evenzeer toepasselijk in als buiten strafzaken. Vgl. ook de Jonge, Admin. en Just. p. 76, (en daarbij hiervóór p. 253 v. b.), alsmede Roëll, 1.1. p. 204. — Zie voorts no. 95 sub d hierna.

Afwijkend van de hierboven opgenomen jurisprudentie van den

H. R.: Ktg. Geldermalsen 6 Febr. 1872 G. st. 1085 (in het hoofdartikel), waarover vgl. ook het slot van het hoofdartikel

I.1. 1088. Zie mede Rb. Gron. 6 Febr. 1896 AV. 6861, P. v. J. 1896 nos. 29 en 59, in een geval dat de ligger tengevolge van onteigening had behooren te zijn gewijzigd, nu dit was verzuimd, het bewijs door den ligger niet overtuigend oordeelend.

Sluiten