Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— waar was betwist de bevoegdheid om krachtens dit prov. reglement bij gemeenteverordening de liggers te doen vaststellen — deze bevoegdheid van den Raad had te onderzoeken en, achtte hij ze niet aanwezig, den ligger niet had te eerbiedigen. — Deze beslissing is m. i. in den geest der boven geciteerde arresten van 1886 en 1891, ingeval zij dus moeten opgevat dat ze in het algemeen den Raad, althans zonder koninklijke goedkeuring, onbevoegd oordeelen om onafhankelijk van een prov. reglement, bij liggers onderhoudsplicht te doen vaststellen. — Anders wat de bevoegdheid van den Raad betreft, — en voor liggers, enkel steunend op gem.-verordeningen, met gelijke beslissing als de in no. 88 vermelde jurisprudentie van den H. R. voor die, berustend op prov. verordeningen — Ktg. Beetsterzwaag 7 Okt. 1876 W. 4060, W.B.A. 1441. Vgl. ook no. 88 sub b i.f. (H. R. 26 Maart 1844, dus van vóór de Gem.wet).

Ten opzichte der overweging in het arr. H. R. van 1886 betrekkelijk burgerlijke rechtsverhouding, implicite in gelijken geest als dit arrest, — hier voor een ligger, steunend op een prov. reglement: Ktg. Assen s. d. (Okt. of Nov. 1876) W. 4148, R. Bijbl. 1877 D p. 119, W. B. A. 1483.

I. Met het oog op het hier sub j voorafgaande schijnt de strekking der daar geciteerde arresten van 1886 en 1891, als ze móeten worden geacht hetzelfde te bedoelen, — deze te zijn dat de H. R. de beslissing omtrent onderhoudsplicht bij het vaststellen van den ligger door het administratief gezag niet bevoegdelijk gegeven acht in de volgende twee gevallen: lo. als zij is gegrond op een gemeente-verordening, dip noch steunt op een prov. reglement, noch goedgekeurd is door de Kroon krachtens art. 239 Gem.wet'), en 2°. buitendien („vooral") niet waar de

!) Vgl. de hierna in no. 97 sub c vermelde arresten H. R. van 15 Okt. 1906 en 3 Mei 1875. — Zie ook over het onderscheid voor de bewijskracht ten opzichte der openbaarheid tusschen liggers door gemeentebesturen op eigen gezag, en op last van Prov. Staten opgemaakt: Roëll (geciteerd in no. 88 sub a) p. 166—167. Vgl. ook aldaar p. 182—183 over art. 230 lid 2 Gem.wet. Zie verder no. 97 sub c hierna.

Sluiten