Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verordening den onderhoudsplicht afhankelijk stelt van eenigerlei burgerlijke rechtsbetrekking, als deze twijfelachtig is; zoo althans het arrest van 1886.

Aan laatstbedoelde overweging in dit arrest ligt blijkbaar ten grondslag de opvatting dat het administratief gezag, beslissend over den onderhoudsplicht, tevens beslist over de bedoelde civiele rechtsbetrekking, — doch dat dan de geheele beslissing de rechterlijke macht, als uitsluitend competent om over burgerlijke rechten uitspraak te doen, niet kan binden. — Ygl. ook de overweging in het arr. H. R. van 26 Mei 1874, geciteerd hiervóór in no. 88 sub b, dat de ligger toen voor den strafrechter rechtsgeldig bewijs opleverde van beklaagdes onderhoudsplicht, daar deze niet onvoorwaardelijk aan den eigendom van den weg was verbonden, maar ook daarvan afgescheiden kon bestaan. Ygl. mede het niet in een strafzaak gewezen vonnis Rb. Nijmegen van 26 Febr. 1867 (vermeld p. 374 hierna), gelijk ook Roëll (geciteerd in no. 88 sub a) p. 203. — Door de hierboven sub j genoemde bestrijders der arresten van 1886 en 1891 is reeds opgemerkt dat onderwerp der beslissing van het administratief gezag in deze enkel is de onderhoudsplicht, opgelegd bij verordening, die publiekrechtelijk blijft, al is hij afhankelijk van een civiele rechtsbetrekking. Inderdaad is het onderzoek naar die laatste verhouding voor het administratief gezag louter praejudicieel, en kan het, reeds wegens art. 153 Grw. en art. 2 R. O., geen bindende beslissing hierover meebrengen, doch daaruit volgt niet dat ook de op dit onderzoek steunende beslissing over den publiekrechtelijken onderhoudsplicht bindend gezag mist, voorzoover zij dit overigens mocht hebben, — evenmin als in andere gevallen, waar het administratief gezag op zijn, terrein een uitspraak geeft, afhankelijk van de beoordeeling eener civiele rechtsbetrekking; vgl. hiervóór no. 5 en Alg. Begins. XIV nos. 9 j°. 7 sub d (p. 164). Ygl. ook Vitringa in R. Mag. 25 p. 547—548, wiens opmerking ook hier van kracht is.

Dus schijnt, huldigt men in het algemeen de leer der jurisprudentie, in no. 88 sub b vermeld, — de bij liet arrest van

24

Sluiten