Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. B. A. 1.1.), en Rb. 's Grav. 20 Maart 1883 W. 4885, P. v. J; 1883 Bijbl. 17, W. B. A. 1772 (vgl. over dit vonnis W. B. A. 1773 —1775). — Aan den ligger zelf werd de burgerlijke rechter in zulke zaken gebonden geacht door Rb. Breda 14 Sept. 1886 W. 5393, W. B. A. 1977, bevestigend Ktg. Bergen op Zoom 4 Maart 1885 W. 5158, W. B. A. 1870 en 1886. Zoo ook Ktg. Gron. 9 Juni 1884 W. 5098, G. st. 1765, W. B. A. 1882. — Schijnbaar in anderen zin Rb. 'sGrav. 24 Dec. 1880 W. 4591, welk vonnis echter hierop berustte dat uit het extrakt van den ligger niet bleek dat deze was ingericht overeenkomstig het provinciaal reglement.

Niet bindend voor den burgerlijken rechter werd de ligger geoordeeld door Rb. Sneek 1 Nov. 1866 AV. 2848, G. st. 795, bevestigd door Hof Friesland 8 April 1868 W. 2994, G. st. 869, W. B. A. 1018, terwijl in cassatie het O. M. vóór H. R. 5 Febr. 1869 W. 3088, R.spr. 91 § 13, v. d. Hon. Bel. 9 p. 402, G. st. 915, W. B. A. 1032 den ligger geëerbiedigd wilde hebben, op grond dat, wat de administratieve macht krachtens een wettige provinciale verordening uitmaakte, niet nog eens dooide rechterlijke macht kon onderzocht. Het arrest zelf echter sloeg geen acht op het hierop betrekking hebbend gedeelte van het cassatiemiddel, vermoedelijk omdat daarin geen artikelen deiprovinciale verordening als geschonden waren aangewezen (vgl. den aanhef der geciteerde concl. O. M. j°. art. 406 no. 2 oud Rv.). — Daarom schijnt het bezwaar van de Jonge in Bijdr. St.-Best. 17 p. 353 en 362 nt. 2 tegen dit arrest, als zou het den'ligger hebben geëkarteerd, feitelijken grondslag te missen1). ■— Vgl. hierbij ook de Jonge, aangehaald hiervóór in no. 88 sub d, en Roëll (geciteerd in no. 88 sub a hiervóór) p. 202.

Zie op art. 2 R. O. de jurisprudentie over de competentie deirechterlijke macht in geschillen over onderhoudsplicht, en over kosten door een bestuur verhaald op nalatige onderhoudsplichtigen.

i) Ook A. R. Arnt/.enius in Bijdr. St.-best. 20 p. 328 midd. geeft het arrest niet geheel juist weer. «Middelen» aldaar moet zijn: het tweede middel van cassatie; op de liggers echter had betrekking het door den H. R. verworpen eerste cassatie-middel.

Sluiten