Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Terwijl het arr. H. R. van 19 Febr. 1906 de strekking der Zeeuwsche liggers acht onderhoudsplicht op te leggen, meenden o. a. Ged. St. Z.-Holl. 30 Okt. 1905 (no. 30) W. B. A. 2948 dat (in hun provincie) die strekking veeleer is den onderhoudsplicht te constateer en i). Hierbij vgl. ook Roëll 1.1. p. 103 v. b. en p. 222—223, alsmede H. Reuyl in R. Mag. 15 p. 605 (ten opzichte van openbaarheid).

Als dit constateeren niet slechts beoogt een bewijsmiddel te scheppen (waaromtrent vgl. no. 96 hierna), doch volstrekt bindend wordt geacht (zoo b.v. voor het Groningsche reglement K. B. 26 Nov. 1900 R. v. St. 40 p. 1049), staat dit gelijk met het hierboven sub a aangeduide geval dat aan het administratief gezag is het eindoordeel over de aanwezigheid van den onderhoudsplicht, en komt het dus, bij mogelijke dwaling, toch op het opleggen van dien plicht neer.

c. Neemt men aan dat de liggers den onderhoudsplicht absoluut bindend constateeren, dan is er materieel groote analogie met rechtspraak. — Formeel is er verschil. Het opmaken van den ligger is niet het beslissen van een geschil, aangebracht voor het administratief gezag als rechter. Dit gezag treedt uit eigen beweging op, en hoort belanghebbenden, ter gelegenheid waarvan te zijnen overstaan een strijd kan ontstaan. Ook dan echter geeft de administratie geen beslissing ter beslechting van dit geschil, doch dient het laatste als middel om haar oordeel te vormen. Dit oordeel op zich zelf bindt niet, en kan dus ook geen bindende kracht geven aan den ligger, welke deze kracht van elders zou moeten ontleenen om ze te hebben (vgl. het volgend no. 95 sub d). — Zie ook het in no. 98 sub b hierna opgemerkte

J) Zoo ook, voor den last om in het algemeen belang water te ontvangen en af te voeren, Ged. St. Overijssel 14 Febr. 1901, zie sub K. B. 22 Aug. 1901 R. v. St. 41 p. 677, W. B. A. 2726.

De controverse over de strekking der liggers biedt tot op zekere hoogte analogie met de op privaatrechtelijk gebied zich voordoende, door Hamaker in R. Mag. 25 p. 61—64 behandelde vraag of onderteekende geschriften, een rechtshandeling behelzend, deze laatste doen tot stand komen of slechts bewijzen. (Tegen Hamaker: A. Sigmond 1.1. 27 p. 76 vlgg.).

Sluiten