Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a- Vaak worden de liggers beschouwd als beicijsmiddel.

— Zóó uitdrukkelijk H. R. 26 Mei 1874, en implicite H. R. 19 Nov. 1894, beide arresten vermeld in no. 88 sub b hiervóór.

— Ook het slot van het daar genoemde arr. H. R. van 19 Fêbr. 1906 erkent, in aansluiting aan het vonnis a quo, den ligger als bewijsmiddel van onderhoudsplicht voor den strafrechter. Deze opvatting schijnt echter moeielijk te rijmen met die in de voorafgaande overwegingen van bedoeld arrest, volgens welke de ligger onderhoudsplicht oplegt. Immers is het laatste het geval, dan kan er vanzelf geen sprake zijn van tegenbewijs, dat toch in strafzaken moet openstaan, als de ligger bewijsmiddel is.

— Beschouwt men hem als zoodanig, dan bewijst hij hier geen feit, maar een rechtsbetrekking; zie nader hieronder sub b. — Ygl. ook Schepel, Waterschapswetgeving (1906) p. 249—250.

b. Als een den strafrechter bindende, aan artt. 391, 394 en 395 Sv. derogeerende, bewijsregeling kunnen de bepalingen omtrent de liggers in verordeningen kwalijk gelden. Ygl. ook S. M. S. de Ranitz in Themis 1866 p. 66, en hieronder sub ƒ jo. e. — Buitendien, al spreken art. 1902 B. W., gelijk dit thans nog luidt, en art. 15 wet 9 Mei 1902 Stbl. 54 (vroeger art. 17 wet 9 Okt. 1841 Stbl. 42) van bewijs van rechten — een terminologie, die trouwens bij velen geen instemming vindt —, zeker in strafzaken gelden de bewijsregelen niet rechten, maar feiten. — Ten opzichte van den onderhoudsplicht overwoog dan ook H. R. 17 April 1866 (vermeld hierna in no. 97 sub c), op het vijfde cassatiemiddel, dat deze last niet is een feit, maar een rechtsgevolg; waaruit het arrest de gevolgtrekking maakte dat de bewijsregelen van het Wetb. v. Sv. hierop niet toepasselijk zijn*).

i) Dit laatste is ook omtrent de openbaarheid van een weg aangenomen door H. R. 23 Nov. 1896 W. 6889, R.spr. 174 § 32, v. d. Hon. Sr. 1896 p. 374, P. v. J. 1896 no. 99, waarbij vgl. ook H. R. 15 April 1901 W. 7597, R.spr. 187 § 84, y. d. Hon. Sr. 1901 p. 185, P. v. J. 1901 no. 53, G. st. 2597. Zie over deze arresten Vitringa. in R. Mag. 26 (1907) p. 4—5. — Daarentegen besliste het hierna in no. 98 sub a vermelde arr. H. R. van 20 Nov. 1893 (het slot der voorlaatste overweging) dat titel 21 Wetb. v. Sv. wél toepasselijk is voor het bewijs der openbaarheid.

Léon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 24*

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten