Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R.spr. 105 § 16, v. d. Hon. G. Z. 27 p. 301; vgl. mede die vóór H. R. 22 Nov. 1880 W. 4587, R.spr. 126 § 19, v. d. Hon. G. Z. 32 p. 280. ') — In gelijken zin als de voorgaande jurisprudentie: H. R. 9 Febr. 1858 W. 1935, R.spr. 58 § 19, v. d. Hon. G. Z. 15 p. 12, W. B. A. 456, casseerend het in anderen zin gewezen vonnis van Rb. Amersfoort 22 Okt. 1857 W. 1919, G.st. 324, W. B. A. 443, — en H. R. 23 Dec. 1857 W. 2016 p. 1, R.spr. 57 § 55, v. d. Hon. G. Z. 14 p. 313, R. B. 1858 p. 11, casseerend Rb. Utrecht 10 of 13 Sept. 1857 W. 1916, R. B. 1858 p. 343,

G. st. 323, W. B. A. 442, waarbij was vernietigd Ktg. Utrecht 19 Mei 1857 R. B. 1858 p. 343.

Vgl. ook omtrent een onwettig vastgestelden ligger, H. R. 9 Nov. 1885 W. 5320 p. 1 kol. 1—2, R.spr. 141 § 24, v. d. Hon. G. Z. 35 p. 334, P. v. J. ,1886 Hfdbl. 43.

Anders dan de hierboven geciteerde arresten: H. R. 25 Okt. 1870 W. 3262 p. 1—2, R.spr. 96 §13, v. d. Hon. G. Z. 25 p. 295;

H. R. 27 Febr. 1866 W. 2784, R.spr. 82 § 25, v. d. Hon. G. Z. 22 p. 211, R. B. 1866 p. 338; H. R. 14 Dec. 1864 W. 2661, R spr. 78 § 36, v. d. Hon. G. Z. 21 p. 217; implicite ook H. R. 11 Okt. 1864 W. 2636, R.spr. 78 § 3, v. d. Hon. G. Z. 21 p. 157, en H. R. 9 Febr. 1864 W. 2570 p. 1 — 2, R.spr. 76 §14, v. d. Hon. G. Z. 21 p. 5; verder H. R. 25 Febr. 1863 R.spr. 73 § 35, v. d. Hon. G. Z. 20 p. 75; H. R. 11 Febr. 1863 W. 2458, R.spr. 73 §24, v. d. Hon. G. Z. 20 p. 46, R. B. 1864 p. 52; H. R. 28 Okt. 1862 W. 2430 p. 2, R.spr. 72 § 12, v. d. Hon. G. Z. 19 p. 329, en H. R. 19 Maart 1862 W. 2369, R.spr. 70 § 46, v. d. Hon. G. Z. 19 p. 123, G. st. 557, W. B. A. 673, de cassatie verwerpend tegen het in gelijken zin gewezen vonnis van Rb. Appingedam 27 Dec. 1861 Opm. en Mededeel. 14 p. 224, waarbij was vernietigd Ktg.

!) De opvatting van het arrest van 20 Jan. 1873 kan ook gelezen in dat van 24 Juni 1872 W. 3486 p. 1, R.spr. 101 § 23, v. d. Hon. G. Z. 26 p. 353 (vgl. de conclusies O. M. vóór de arresten van 1873 en 1887), maar kennelijk volgde de H. R. in 1872 de toenmalige concl. van het O. M., waaruit blijkt dat het bedoelde arrest buiten de hier behandelde kwestie omgaat.

Sluiten