Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

openbaarheid op te leggen, en niet dat hij ook die kracht bezit.

Tegen het bindend karakter van den ligger in deze ook, implicite, Hof Amst. 24 Nov. 1893 W. 6425 en 6488, P. v. J. 1894 no. 75, W. B. A. 2335 en 2363, alsmede Hof Leeuw., bij arrest van 24 Febr. 1892 W. 6162, G. st. 2125 (contra O. M., concl. in "W. 6134; vgl. Vitringa 1.1. p. 559), bevestigend Rb. Gron. 12 April 1889 W. 5743, — bij dat van 14 September 1881 (zooeven geciteerd), — en, uitdrukkelijk, bij dat van 20 Mei 1891 W. 6163, G. st. 2119, W. B. A. 2242, gemotiveerd in den geest der boven sub e en in het vorig no. 98 sub b jo. a geciteerde jurisprudentie van den H. R. — Insgelijks Hof 's Hertog., arresten van 28 Juni 1880 G. st. 1556 (implicite), van 29 Dec. 1885 W. 5236, en van 7 April 1885 W. 5224, G. st, 1793, W. B. A. 1907, dit laatste o. a, overwegend dat de liggers geen rechtsbron zijn om geschillen tusschen het gezag en partikulieren, waarbij de vrijheid van den eigendom is betrokken, te beslissen,

— en verder gemotiveerd in den geest der zooeven aangeduide jurisprudentie van den H. R. — Zoo ook, voor het geval dat de ligger is opgemaakt, terwijl er al een geschil bestond over de openbaarheid: Hof N.-Brab. 14 Febr. 1865 AV. 3886. — Tegen het bindend karakter van den ligger ten aanzien der openbaarheid verder: Rb. Arnhem, vonnissen van 10 Juli 1885 W. 5270, G. st. 1864, W. B. A. 1926, en van 19 Sept. 1870 AV. 3250, R. B. 1873 p. 36, G. st. 994; Rb. Zutphen, vonnissen van 29 Nov. 1877 AV. 4300, AV. B. A. 1536, en van 25 April 1878 W. 1.1., G. st. 1416, W. B. A. 1520 en 1536 (vgl. Red. in AV. B. A. 1520); Rb. 's Hertog. 14 Febr. 1873 AV. 3606, G. st. 1141.

— Bij deze jurisprudentie is er op te letteu dat zij soms steunt op een bepaling in het betrekkelijk reglement, wijziging van den ligger ingevolge uitspraak van den (burgerlijken) rechter voorschrijvend; vgl. Rb. Zutphen 10 Dec. 1868 AV. 3138, W. B. A. 1073; zie ook het vorig no. 98 sub c.

Anders dan bovenstaande jurisprudentie, implicite Hof Geld. 30 Juni 1852 AV. 1360, R. B. 1852 p. 590, G. st. 50, AV B. A. 170, en Rb. Tiel 5 Sept. 1879 AV 4444, AV. B. A. 1595. — Vgl. ook

Léon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 25*

(Mr. L. van Pbaag, Recht. Org.)

Sluiten