Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo besliste het hiervóór op p. 210 v. o. geciteerde arr. H. R. van 20 Okt. 1863 dat, waar een polderbestuur moet worden benoemd door de Kroon, doch is aangewezen door ingelanden, dit niet is een informaliteit van ondergeschikt belang, maar een radikale onwettigheid, meebrengend de ongeldigheid van elke ambtsdaad van het onwettig bestuur.

In kerkelijke zaken onderzocht Rb. 'sGrav. 28 Febr. 1888, bevestigd door Hof 'sGrav. 21 Jan. 1889, beide geciteerd p. 214 hiervóór, of een predikant was benoemd door de daartoe competente kerkelijke autoriteit. — Insgelijks deed Rb. Rott. 18 Febiv 1889, t. a. p. mede geciteerd.

Anders echter ten aanzien der wettigheid van daden van een polderbestuur: Pres. Rb. 's Grav. 4 Sept. 1899 (geciteerd hiervóór p. 212 v. o.), weigerend te onderzoeken of de schorsing van gedaagde was geschied door het daartoe competente gezag, — wat hier afhing van de vraag of het polderbestuur, dat schorste, wettig was samengesteld (n.1. een waarnemend bestuurslid, in plaats van iemand, wiens verkiezing betwist was). — In denzelfden geest ten opzichte der benoeming van het bestuur eener instelling van liefdadigheid, waarvan betwist werd dat zij was geschied door het daartoe competente gezag: Hof Arnhem, arresten van 15 Jan. 1902 en 13 Dec. 1905, geciteerd hiervóór p. 215 en 351; zie ook hierna no. 31 sub e ').

!) De vraag was of de regel van art. 147 Gem.-wet hier toepasselijk kon geacht, dan wel de benoeming behoorde aan anderen dan den Raad, m. a. w. of deze er competent toe was. Waar het Hof in beide arresten — dat van 1902 met vernietiging van Rb. Zwol 19 Juli 1900 W. 7625, W. B. A. 2724 — overwoog dat des Raads benoeming slechts langs administratieven weg kon aangetast, schijnt het hiermee niet het oog te hebben gehad op art. 69 i. f. Armenwet. Immers ten aanzien der instelling, in 1902 bedoeld, had kennelijk Hof Arnhem 18 Dec. 1895 W. 6817, G. st. 2347 (bevestigend Rb. Zwol 12 Juli 1894, W. 6557, G. st. 2251, W. B. A. 2371) aangenomen dat zij viel onder art. 2c dier wet, zoodat art. 69 er niet op toepasselijk was, — en het arrest van 1905 sluit zich blijkbaar aan bij dat van 1902. Intusschen, ook als art. 69 wél hier van kracht ware geweest, zou dit toch slechts 200 zijn voor een geschil, tot onderwerp hebbend de competentie ter benoeming; bedoelde bepaling sluit m. i.

Sluiten