Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mate hebben beantwoord aan zijn eigenlijk doel, daar juist in de geschillen, bij dit eerste lid ter competentie der rechterlijke macht gebracht, zeer vaak de beoordeeling der materieele rechtmatigheid van bestuursdaden noodzakelijk zou zijn geweest voor een beslissing au fond, in plaats waarvan nu tengevolge van het tweede lid een niet-ontvankelijkheid zou hebben moeten worden uitgesproken; vgl. hiervóór p. 244—245 j's. p. 236—237. — Terwijl t. a. p. is gewezen op uitzonderingsbepalingen, die een praejudicieel geschilpunt aan den rechter onttrekken, was in het hier bedoelde art. 3 lid 2 een algemeene regel gesteld, — welke, ook geldend voor louter praejudicieele beoordeeling van bestuursdaden, dien van het voorafgaande lid 1 meestal illusoir zou hebben gemaakt. Dit laatste kan niet gezegd worden van werkelijke uitzonderingen, als slechts toepasselijk in bepaalde gevallen, zoodat voor alle overige blijft gelden de regel, p. 195 197 hiervóór gesteld.

v. Tegen de rechterlijke beoordeeling van bestuursdaden de iure constituendo vgl. verder A. de Pinto in G. st. 115 p. 4 kol. 1, en X in W. 2650 p. 3 kol. 3 v. o.

B.

ÏO. Ten opzichte der vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige bestuursdaad, is de leer dat de rechterlijke macht deze laatste niet mag beoordeelen gehuldigd bij de hier volgende jurisprudentie.

(1) Ingevolge speciale wetsbepaling (inzóóver zijn uit deze beslissingen dus geen consequenties te trekken voor het geval dat er geen speciale wetsbepaling bestaat):

a. H. R. 24 Juni 1892, en het arrest a quo Hof Amst. 25 Sept. 1891, beide vermeld op p. 54, hier op grond van art. 15 der wet van 22 Mei 1845 Stbl. 22.

b. H. R. 18 Dec. 1857, p. 53 vermeld, op grond der toen geldende wettelijke bepalingen betreffende de nationale militie, echter zonder nadere aanduiding dier bepalingen, — en mede op motief dat de beoordeeling der wettigheid eener inlijving

Sluiten