Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderzoek omtrent de wettigheid der handelingen van het polderbestuur, en zich niet uitstrekte tot beoordeeling der bevoegdheid van dat bestuur tot het dichten der vaart, — doch alleen gold de vraag of aan eischer, met verkorting van zijn eigendomsrecht, schade was toegebracht. M. a. w. het zou hier betreffen een louter praejudicieele beoordeeling der bestuursdaad: deze was volgens het Hof niet mede onderwerp van het geschil. Dit staat in verband met de opvatting van het Hof, daarin den eischer volgend, dat de ingestelde vordering haar grond vond in art. 545 C. C. Wel is het de vraag, of de eisch niet metterdaad op art. 1382 C. C. steunde, maar dit kan hier in het midden worden gelaten.

b. De in den aanhef van dit no. 11 aangeduide zienswijs is uitdrukkelijk ook gehuldigd bij het, een concessie betreffende, arrest Hof Gron. van 4 April 1871, vermeld op p. 206. Wel spreekt dit arrest van bestuursdaden, die, buiten den bevoegdheidskring genomen, burgerlijke rechten krenken, maar dat deze uitdrukking niet de eigenlijke bedoeling van het Hof weergeeft, blijkt uit hetgeen dit dan verder laat volgen. Het gold n.1. het slaan van een kistdam door een waterschapsbestuur, een daad, die onmiskenbaar binnen zijn competentiekring viel, doch waarvan de rechtmatigheid tegenover eischer door het Hof werd onderzocht. — De op p. 206 mede vermelde beslissingen van Hof en Rb. Amst. betroffen een concessie, over het privaat- of publiekrechtelijk karakter waarvan twijfel bestond, zoodat hetzelfde geldt voor de vraag of boeteheffing krachtens die concessie een bestuursdaad was, — die, als zij dit karakter had, geen inbreuk op een burgerlijk recht zou zijn. Men kan dan ook niet zeggen dat de zooeven bedoelde Amsterdamsche beslissingen ten opzichte der rechterlijke beoordeeling van bestuursdaden een bepaalde opvatting waren toegedaanJ).

!) Anders is het met Rb. Arnhem 12 Nov. 1891, Ilof Arnhem 7 Sept. 1892, Rb. Maastricht 11 Juni 1857 en Hof Limburg 2 Nov. 1858, alle vermeld hierna in nos. 12 sub c en 15 sub e, zie aldaar.

Léon : Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 27*

(Mr. L. van Praag, Hecht. Org.)

Sluiten