Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In gelijken zin, mede implicité, voor een accessoiren eisch tot schadevergoeding wegens het plaatsen op den ligger van openbare wegen met miskenning van eischers eigendomsrecht: Hof Leeuw., arresten van 14 Sept. 1881 W. 4682, R. B. 1882 D p. 5, en van 24 Febr. 1892 W. 6162 (concl. O. M. in W. 6134), G. st. 2125, alsmede het vonnis a quo, Rb. Gron. 12 April 1889 W. 5743. — Verder Hof 's Grav. 21 Nov. 1881 AV. 5055, R. B. 1882 A p. 76, bevestigend het in gelijken zin gewezen vonnis van Rb. Middelb. 20 Okt. 1880, mede vermeld hiervóór in no. 6 sub l, zie aldaar. — Vgl. ook Rb. Breda 18 Febr. 1879 G. st. 1555 (implicité), tevens beslissend' dat de rechterlijke macht niet buiten den eisch tot schadevergoeding de administratieve daad — hier bestaande in het vaststellen van den ligger van openbare waterleidingen — onrechtmatig mag verklaren, in dien zin dat bedoelde handeling ongedaan zou worden gemaakt. Dit vonnis werd vernietigd door Hof 's Hertog. 28 Juni 1880 G. st. 1556, overwegend dat de handeling niet ongedaan wordt gemaakt door haar onrechtmatigverklaring, en dat deze ook door den rechter mocht worden uitgesproken. Bij dit arrest en vonnis vgl. ook nos. 14 sub a en b, 16 sub d, 37 sub e, 38 en 39 hierna, alsmede p. 45 v. b.

d. Zie hier ook H. R. 17 of 18 Febr. 1848, met de beslissingen a quo, Hof N.-Brab. 23 Febr. 1847 en Rb. 's Hertog. 17 Jan. 1845, alle vermeld op p. 210—212. Dit arrest van den H. R. overwoog dat in een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige aardhaling, de rechter heeft te beoordeelen of het gedaagde waterschap eischers eigendom aldus mocht aantasten. Vgl. hierbij ook het op p. 206 geciteerde arr. H. R. van 22 Maart 1889. — Implicité in gelijken geest Rb. Middelb. 15 Febr. 1888 W. 5588; Ktg. Brielle 16 Nov. 1887 W. 5489, AV. B. A. 2047; Rb. Gorinchem, vonnissen van 13 Jan. en 29 Dec. 1863, beide in AV. 2549, en betreffende het bergen van aarde op eischers grond. Vgl. ook Hof Leeuw. 26 Juni 1907 AV. 8646, bevestigend Rb. Winschoten 2 Mei 1906 W. 8406, P. v. J. 559, W. B. A. 2993 (gelijke berging door een aannemer,

Sluiten