Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Mei of Juni) 1907 W. B. A. 3025 p. 2 kol. 2 v. o., van 3 Dec. 1906, nader vermeld in no. 14 sub d hierna, en van 11 Maart 1881 W. 4661, R. B. 1881 D p. 29, G. st. 1561, W. B. A. 1689; Rb. Zwolle 16 Maart 1904 W. 8073; Rb. Assen 2 Juni 1890 W. 5919, P. v. J. 1890 no. 66, G. st. 2037; Rb. Maastr. 30 Jan. 1890 W. 5835, G. st. 2002 en 2063; Rb. Middelb. 29 Febr. 1888 W. 5614, G. st. 1935, W. B. A. 2054; Rb. 's Hertog., vonnissen van 29 Dec. 1882 W. 4854, G. st. 1646, W. B. A. 1759, en van 12 Dec. 1866 W. 3375; Rb. 'sGrav. 13 Dec. 1881 W. 4856, G. st. 1649, W. B. A. 1762. Zie ook Rb. Arnhem 27 Mei 1875 W. 3866, P. v. J. 1875 Bijbl. 22 (vordering van een faillissementscurator tegen den griffier der Rechtbank q. q. wegens onrechtmatige terughouding eener rangregeling). Mede (ook hier was gedaagde een ambtenaar q. q.) Ktg. Heerenveen 18 Okt. 1869 W. 3167, W. B. A. 1067. Vgl. ook Ktg. I Amst. s. d. (1862 of 1863) W. 2483, R. B. 1863 p. 322, G. st. 610, W. B. A. 730.

D.

12. a. Zonder dat er sprake was van inbreuk ') op burgerlijke rechten, is implicite aangenomen dat de rechterlijke macht in een eisch tot schadevergoeding bestuursdaden wèl mag beoorcleelen, — door H. R. 5 Maart 1875 W. 3824, R.spr. 109 § 22, v. d. Hon. B. R. 40 p. 156, W. B. A. 1351 (onrechtmatigheid, begaan ter sake eener aanhouding bij strafvervolging). Zoo ook Rb. 's Hertog. 28 April 1843 W. 469, toewijzend de vordering van een schutter wegens onrechtmatige arrestatie door zijn superieur; Rb. Heerenveen 4 Febr. 1865 W. 3019, toewijzend den eisch eener beleedigde partij in de strafzaak tegen een veldwachter wegens ■ onrechtmatige aanhouding. — Zie ook, mede betreffende arrestatie, Ktg. Leiden 29 Sept. 1894 W. 6571, P. v. J. 1894 no. 93, G. st. 2260, W. B. A. 2373, en in appèl Rb. 's Grav. 31 Maart 1896 W. 6840, P. v. .J. 1896 no. 40, W. B. A. 2465. — In anderen zin Ktg. Haarlem 18 Sept. 1858, vermeld hiervóór in no. 10 (2) sub c.

!) Vgl. hier de noot bij den aanhef van het vorig no. 11.

Sluiten