Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

E.

13. Zie in het algemeen over de beoordeeling van bestuurshandelingen bij een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, K. Lippmann in Hikth's Annalen des deutschen Reichs 1885 p. 448—449, 451—459, 462—463, en O. v. Sarwey in Marquardsen's Handbuch I, ii, 1 p. 157—158. — Voor Pruisen vgl. Preuss. Ger. Hof zur Entsch. der Kompetenzkonflikte, Urt. v. 26/3 1904, zie D. Jur. Zeit. 1905 p. 271.

Vgl. nog W. B. A., geciteerd hierna in no. 37 sub ei.?. — Zie ook, behalve dit no. 37 sub e zelf, no. 38.

F.

11. Ook in andere vorderingen dan die tot schadevergoeding is gelijke leer als daarvoor in den aanhef van no. 11 aangeduid, gehuldigd bij de hier volgende beslissingen, — die dus aannamen dat de rechterlijke macht de rechtmatigheid van bestuursdaden wèl mag onderzoeken, zoo deze inbreuk ') maken op burgerlijke rechten. Daardoor volgen zij, evenals de jurisprudentie, vermeld hiervóór in no. 11 (vgl. ook no. 12 en het volgend no. 15) een ander stelsel dan dat der beslissingen, geciteerd hiervóór in nos. 6—8.

a. Hof N.-Brab. 27 Jan. 1846 W. 724, R.spr. 28 § 85 achtte het onderzoek naar de wettigheid eener bestuursdaad geoorloofd, als zij slechts wordt aangevallen, voorzoover ze eischers eigendom of bezitrecht schendt. — Zoo ook implicite Rb. Arnhem 19 Sept. 1870 W. 3250, R. B. 1873 p. 36, G. st. 994. Eveneens, ook implicite, Rb. Amst. 19 April 1876 P. v. J. 1876 Bijbl. 23, R. B. 1879 A p. 94. Het gold toen een eisch tot herstelling in het bezit (met schadevergoeding), ingesteld wegens het door een gemeentebestuur — dat zich beriep op art. 180 Gem.wet — wegruimen van het volgens eischer op zijn grond gebouwde. De Rechtbank achtte de vordering toewijsbaar, als de gedaagde gemeente niet aantoonde dat de wegruiming gerechtvaardigd was door de ver-

!) Vgl. de noot bij den aanhef van no. 11.

Sluiten