Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zie voorts Rb. Breda 18 Febr. 1879 en Hof's Hertog. 28 Juni 1880, beide vermeld op p. 427; Rb. 's Hertog. 14 Febr. 1873, geciteerd op p. 410—411, en, evenzeer ter zake van de verbindbaarheid der liggers van openbare wegen, de Jonge, Admin. en Just. p. 101.— Ygl. nog A. Giron, Le droit public de la Belgique (1884) no. 178, p. 154 — 155: de rechter mag wèl de wettigheid van bestuursdaden beoordeelen, doch ze niet vernietigen of wijzigen, noch ook verbieden ze uit te voeren. Omtrent dit laatste zie nader sub Alg. Begins. XIX de tweede noot op no. 9. Ygl. ook aldaar in no. 8 over J. P. A. N. Caroli, Het kort geding I (1906) p. 143, die gelijke onderscheiding maakt als hier sub c en d bedoeld.

Betreffende het niet ongedaan mogen maken van bestuursdaden door de rechterlijke macht, zie ook het slot der concl. O. 1. vóór Rb. Amst. 24 Dec. 1895 W. 6765, P. v. J. 1899 no. 61.

e. Tusschen het louter praejudicieel beoordeelen van de recht matigheid eener bestuursdaad, en het geven eener bindende beslissing hieromtrent, is meer of minder scherp onderscheiden bij de hier volgende jurisprudentie, te weten: H. R. 19 Juni 1908 W. 8722, R.spr. 209 § 27, P. v. J. no. 766, W. B. A. 3091 ') inzoover dit arrest als géoorloofd aanmerkt het beoordeelen eener Regeeringsdaad, als deze voor het overige onaangetast blijft 2). — Zoo ook Hof Leeuw. 1 April 1896, geciteerd op p. 439—440 (waarbij niet, gelijk in de procedure van 1906—1908, sprake was van incompetentie voor het administratief gezag tot ontslag). — Verder Hof Friesland 27 Juni 1839, vermeld p. 424—

x) Nader te vermelden in het Supplement bij nos. 3 sub b en 15 sub dvan dit hoofdstuk XVI.

2) Of dit laatste inderdaad het geval was, zou zoowel voor deze zaak als voor die in 1896 berecht door het Hof te Leeuwarden, kunnen worden betwijfeld, op grond dat toewijzing der vorderingen hier noodzakelijk moest insluiten een den gedaagde bindende rechterlijke erkenning der voortduring van het recht op riddersoldij, respektievelijk op ambtenaars-traktement als zoodanig. Zou zulk een recht bestaanbaar zijn zonder dat men ridder of ambtenaar is gebleven na het ontslag? Vgl. ook hierna no. 31 sub d, laatste noot, en sub e i. f.

Sluiten