Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c. Ten tweede : Door de bestrijders van het toetsingsrecht voor verordeningen (b.v. in concl. O. M. voor Hof Leeuw. 23 Sept. 1891 in W. 6060 p. 1—2) is — gelijk door de voorstanders terecht tegen hen wordt aangevoerd — vaak over het hoofd gezien dat, als die bevoegdheid bestaat, 's rechters beslissing over de wettigheid der verordening louter praejudicieel is, dus geen bindende uitspraak, die de verordening voor partijen in het algemeen buiten werking zou stellen 1), — doch zulk een, die ze enkel in het konkreet geval buiten toepassing laat. Al kan het praktisch resultaat met dat van vernietiging overeenkomen (vgl. Red. in W. 2636 p. 4 en Fresemann Vjëtor in Bijdr. St.best. 12 p. 3), — dit is niet altijd het geval, en rechtens is het eene geheel iets anders dan het andere; vgl. Oppenheim, in het vorig no. 18 geciteerd, p. 381; vgl. mede het begin van no. 16 sub d hiervóór. Op dien grond is het rechterlijk toetsingsrecht niet in strijd met het vernietigingsrecht der Kroon, dat ongerept blijft. Vgl. over het verschil tusschen vernietiging eener verordening, en het buiten toepassing laten er van door den rechter, o. a. H. R. 19 April 1865 bij Léon—Vos no. 1 op art. 153 Gem.wet; zie ook Schepel, Waterschapswetgeving p. 145 nt. 2. — Men bedenke hierbij nog dat, ook als een onwettige verordening rechtens als radikaal nietig moest worden beschouwd, dit niet wegneemt dat zij feitelijk is tot stand gekomen, en vrijwillig kan worden nageleefd. Reeds daarom is er in vernietiging door de Kroon niets onlogisch: na de vernietiging is de verordening ook feitelijk er niet meer. Daarentegen volgt uit het niet bindend karakter der rechterlijke overweging dat de verordening onwettig is te achten, — dat ook daarna een ieder ze toch als wettig kan aanmerken; zie uitvoeriger L. P. Prins, Het begrip „rechtmatig" in art. 180 Swb., diss. Amst. 1895, p. 69—73, terecht m. i. bestrijdend G. A. van Hamel in T. v. S. I p. 375 (vgl. hiervóór p. 349—350). Ygl. ook W. B. A.

1) Vgl. concl. O. M. vóór H. R. 4 Mei 1866 v. d. Hon. G. Z. 22 p. 488, alsmede W. B. A. 2825 p. 2 kol. 2. Zie ook Bernatzik, Rechtsprechung ... p. 292.

Sluiten