Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

197 p. 1 kol. 2 v. o. — p. 2, en 200 p. 3 kol. 3 v. o. alsmede W. Jellinek (p. 443 hiervóór geciteerd) p. 45 v. o.

Verder is het althans twijfelachtig of een onwettige verordening rechtens wel als radikaal nietig, d. i. zonder eenig rechtsgevolg buiten dat verbonden aan de onwéttigheid zelf, moet worden beschouwd *), — en of niet veeleer enkel moet gezegd dat aan zulk een verordening door de burgers geen gehoorzaamheid verschuldigd is, dat ze voor hen onverbindbaar is. Zie hierna no. 21 sub c en d. Vgl. mede no. 31 sub d a. h. e.

d. In de derde plaats gaat niet op het argument a fortiori door A. de Pinto (o. a. in Themis 1853 p. 6 en 9) tegen het toetsingsrecht voor gemeente-verordeningen ontleend aan art. 150 lid 2 Gem.wet, en gegrond hierop dat die bepaling zelfs een onderzoek naar den formeelen bevoegdheidskring van den Raad den rechter onttrekt. Immers betreft dit artikel een competentiegrens, afhankelijk van doelmatigheidsoverwegingen, waardoor de onttrekking in dit speciale geval wordt gerechtvaardigd; zie Alg. Begins. XVII nos. 4 en 5 sub c; vgl. ook hierna het slot van no. 21 sub d. En, al mocht dit den ontwerper der wet niet zoo beslist voor den geest hebben gestaan, als het thans algemeen wordt erkend, toch toont de Mem. v. Toel. op art. 150 dat hij de Pinto's leer niet was toegedaan. Vgl. ook het beroep in G.st. 114 p. 1 kol. 3 — p. 2 op Thorbecke's zienswijs ten betooge dat èn Prov. wet èn Gem.-wet niet huldigen de door de Pinto verdedigde uitsluiting van het rechterlijk toetsingsrecht voor verordeningen.

Evenmin kan aanvaard wat A. de Pinto in G.st. 123 p. 4 kol. 3 zegt betreffende art. 156 Gem.wet (vgl. art. 171 Prov. wet): beide speciale bepalingen, waaruit geen algemeene conclusie

Zie bv. art. 32 i.f. Prov. wet en art. 70 lid 4 Gem wet. — In het algemeen zou bij radikale nietigheid een verplichting van wien ook tot naleving onbestaanbaar zijn. En toch wordt deze voor ambtenaren in den regel wél erkend, voorzoóver het geen strafbare feiten hunnerzijds betreft. Men denke hierbij niet enkel aan verordeningen, doch ook aan daden van administratie. Vgl. de eerste noot op het volgend no. 21 sub c.

Sluiten