Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mag worden afgeleid. Het wettelijk vermoeden, hierop gebaseerd dat na schorsing geen vernietiging is gevolgd, mag niet buiten dit geval worden uitgebreid.

e. Ten slotte moet de vraag der Red. (A. de Pinto) in W. 2636 p. 4: waarom zou de Regeering niet mogen onderzoeken uf een vonnis wettig is gewezen, doch de rechter wèl de wettigheid van verordeningen, — aldus beantwoord: Het vonnis bindt partijen met gezag van gewijsde. Onderzoek naar de wettigheid van het vonnis anders dan op de bij de wet opengestelde wijze, kan, tot welk resultaat het ook zou leiden, toch niet wegnemen dat de rechtsverhouding van partijen nu zoo is als het vonnis die vaststelde. Maar of de verplichtingen, bij verordening opgelegd, rechtsgeldig bestaan, is juist de vraag, als de wettigheid der verordening wordt betwist. Er is geen bepaling, die de veroidening onschendbaar verklaart, en de opvatting dat hij, die de verordening geeft, tevens bindend zou verklaren dat ze in overeenstemming is met hoogere ') wettelijke voorschriften (vgl. ook no. 33 hierna) heeft geen goeden grond. Daarom kan de vraag naar die overeenstemming vatbaar zijn voor onderzoek door den rechter, zondei dat iets dergelijks geldt ten opzichte van een vonnis.

••O. a. Wat nu de argumenten aangaat, die voor het toetsingsrecht worden gegeven, zij het volgende aangestipt.

Dat, gelijk in den aanhef van no. 19 sub c is gezegd, de rechterlijke beslissing over de wettigheid der verordening een niet bindende is, bewijst nog niet, zooals v. Sarwey, p. 453 hiervóór geciteerd, aanneemt, dat dit onderzoek den rechter is geoorloofd. In de stelling van v. S. t. a. p. dat 's rechters bevoegd-

i) Dit woord wordt hier in den overdrachtelijken zin gebruikt, aangewezen door Krabbe, Die Lehre der Rechtssouveranitat (1906) p. 479—180. Deze ontkent 1.1. p. 179—184 elke rangorde. Dit moge juist zijn ten opzichte dervooischriften zelf, ro.i. is het onjuist ten aanzien van het gezag, waarvan de voorschriften afkomstig zijn. Zie Krabbe 1.1. p. 182 en 183 v. o.—184. Is p. 181 v. o. daarmee niet in strijd ? Krabbe's beroep op een regel als: stadrecht breekt landrecht, gaat m. i. niet op. Dit beteekent slechts dat het eerste derogeert aan het tweede, evenals een overeenkomst kan derogeeren aan de wet.

Sluiten