Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechter tot het bestuur in ruimen zin, dan wel 3°. in die tot de wetgevende organen alléén? Omdat laatstbedoelde verhouding althans gedeeltelijk door art. 11 wet Alg. Bep. wordt geregeld, zijn jurisprudentie en litteratuur in deze daar op haar plaats, te meer omdat zij zich vaak bewegen om de vraag, of toetsing eener verordening betreft een onderzoek naar haar innerlijke waarde. Echter staat genoemd artikel x) m. i. toch buiten het hier behandelde twistpunt betreffende 's rechters onderzoek naaide rechtmatigheid van verordeningen (althans voorzoover deze niet van haar doelmatigheid afhangt). Dit niet enkel omdat de tekst van art. 11 niet hierop slaat, doch óók wijl uit de geschiedenis der bepaling (vgl. Voorduin op het artikel) blijkt dat men de kwestie daarbij niet heeft willen regelen. Die geschiedenis leert, wat met „innerlijke waarde" is bedoeld.

c. De tweede der hierboven sub b geformuleerde vragen is die, waarover dit geheele hoofdstuk XVI loopt; vgl. speciaal no. 37 sub d—f. — Wat de derde vraag aangaat, de houding van den rechter tegenover verordeningen hangt noodzakelijk af van haar verbindend karakter voor de burgers; vgl. het volgend no. 21 sub c en d.

31. a. Ook de argumenten bij ons voor het rechterlijk toetsingsrecht gebruikelijk 2), schijnen mij toe niet afdoende te zijn. — Zelfs niet dat, ontleend aan den aanhef van art. 11 wet Alg. Bep. Dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken sluit m. i. nog niet in dat hij een verordening aan de wet mag toetsen. De wetsbepaling, waaraan de verordening zou moeten getoetst, is wel een voorschrift, de makers der verordening bindend; maar er kan eerst dan sprake wezen van toepassing dier wetsbepaling door den rechter in dit geval, als zijn toetsingsrecht vaststaat. AVaar

1) Wat zijn aanhef betreft, zie het volgend no. 21 sub a.

2) Een bizondere redeneering volgt Fresemann Viëtor, die 1.1. p. 10 v. o. meent dat elke onwettigheid een verordening stempelt als tredend buiten den formeelen bevoegdheidskring van het verordenend gezag. Dit berust weer op de dubbelzinnigheid van den term »bevoegdheid«, waarop werd gewezen hiervóór p. 402, 406—407 en 418.

Sluiten