Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is dit laatste het geval blijkens de geschiedenis van art. 5 (vgl. Voorduin I B p. 343—346), gelijk duidelijk uitkwam in art. 36 Ontw. 1820, niettegenstaande de redaktie dier bepaling met het volgend art. 37 dezelfde overeenstemming vertoonde, als die van art. 5 met art. 14 wet Alg. Bep. — Met het oog op deze wordingsgeschiedenis is het argument, aan art. 5 hier ontleend, van gelijk gehalte als het beroep der tegenstanders op art. 153 Gem.wet. Evenmin als het niet toepassen der verordening in een konkreet geval gelijk staat met haar vernietiging, even weinig doet het zondigen tegen de wet deze gedeeltelijk haar kracht verliezen in den zin van het bedoelde art. 5.

c. Het argument hierop neerkomend dat al wat publiekrechtelijk onwettig is, ook radikaal nietig moet zijn, bevat een m. i. onjuiste (vgl. nader no. 25 hierna) petitio principii der voorstanders van het toetsingsrecht.

Dit laatste schijnt mij toe, zoowel voor verordeningen als voor daden van administratie, hierop te berusten dat er, buiten dienst- of ambtsverband *), geen gehoorzaamheid verschuldigd

!) Vgl. R. v. Mohl, Staatsrecht, Völkerreclit und Politik I (1860) p. 90—93. — Anders J. A. Levy, Des ambtenaars verantwoordelijkheid (1906) p. 8—12 j°. nt. 5 op p. 27—28, en p. 16—19. Tegenover Levy's bewering 1.1. p. 19 dat, staat voor den ambtenaar de gehoorzaamheidsplicht op den voorgrond, een funktie, mits daardoor gedekt, altoos rechtmatig is, — moet m.i. juist hierop de nadruk gelegd dat zijn funktie er, behalve voor de vraag naar zijn schuld, niet door gedekt wordl. Ook voorzoover de ambtenaar geen toetsingsrecht heeft, wordt daardoor zijn onrechtmatige daad niet rechtmatig. Die daad kan nl. tegenover zijn superieuren door hun bevel gedekt en daarom tegenover hen rechtmatig zijn, en tegelijk overigens onrechtmatig, speciaal tegenover dengeen die er door wordt getroffen. Eerstbedoelde relatieve rechtmatigheid, een gevolg van des ambtenaars verplichting tot gehoorzaamheid, heft niet op de onrechtmatigheid der daad, waar deze moet beschouwd niet uit het gezichtspunt der inwendige ambtenaren-organisatie, maar uit dat der verhouding van bestuur of administratie als geheel tegenover belanghebbenden. — Men kan hier misschien spreken van een primair konflikt van plichten voor den ambtenaar, waarbij dan zijn verplichting in kwaliteit tot gehoorzaamheid aan de superieuren, voor hem gaat boven de algemeene tot opvolging

Sluiten