Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hierboven sub c bedoelde uitzondering daarop ten behoeve der eischen van strikte rechtvaardigheid of noodzakelijkheid, berust op het eigen doel van den Staat, en is om die reden naast den regelx) bestaanbaar zonder strijd met het voor dien regel aangevoerde.

Een tweede uitzondering schijnt mij toe te moeten gelden, voor zoover de wettigheid der verordening afhangt louter van doelmatigheidsoverwegingen, b.v. bij de vraag, of een provinciale verordening niet voorschrijft hetgeen beter ware geregeld in wet of Kon. Besl. (art. 141 Prov. wet). Dan is het eindoordeel over die doelmatigheidsoverwegingen bij Regeering en StatenGeneraal. Reeds hierom is, ontbreekt dit oordeel, de verordening dan niet onverbindend te achten enkel op grond dat hij die ze gaf, op dit punt een ander inzicht had dan degeen voor wien haar wettigheid anders praejudicieel zou zijn, maar dit juist wegens het zooeven gezegde dan niet is, tenzij in het kwalijk denkbare geval dat de hier bedoelde onwettigheid klaarblijkelijk willens en wetens werd verricht. — Anders echter is het, waar het geldt een onderwerp, reeds geheel door het Rijk geregeld, waarmee dit zijn oordeel over de doelmatigheidskwestie heeft uitgesproken. Vgl. hierover W. B. A. 3036, 3038 en 3039, en Alg. Begins. XYII no. 4 sub b j°. no. 22 A sub b (3°).

Voor verdere uitzonderingen zie hiervóór no. 20 sub ai. f. en de daar geciteerde nos.

33. Voor de vraag, of het rechterlijk toetsingsrecht bestaanbaar is, nadat de Regeering, op beroep tegen een door Ged. Staten wegens strijd met een wettelijk voorschrift uitgesproken vernietiging eener waterschapsverordening (art. 23 lid 2 wet 10 Nov. 1900 Stbl. 176), Ged. St. in het ongelijk heeft gesteld, — vgl. Alg. Begins. XV no. 80.

eveneens moeten aangenomen voor de andere artikelen. — In dien geest ook mijn dissertatie, De beteekenis van «wettelijk voorschrift« in het Wetb. v. Sr. Leiden, 1890, p. 107 v. b., HO midd. jis. p. 71—72.

!) Voor dezen schijnt moeielijk te kunnen worden onderscheiden tusschen min of meer vergeeflijke veronachtzaming der wet bij het maken der verordening, al zou dit om redenen v an praktischen aard misschien wenschelijk zijn.

Sluiten