Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn uitgegaan van de opvatting dat het vonnis van faillietverklaring is een daad van gewone rechtspraak, met gezag van gewijsde.

d. Ygl. bij het voorafgaande hierna no. 31 sub b—dy*. nos. 32 en 33. — Hier worde er nog op gewezen dat men ook in het Wetb. v. Strafvord. bepalingen vindt, wier inachtneming niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven '). Ygl. ook art. 183 Ontw. 1905 Wetb. v. Adm. Rv., en de Mem. v. Toel. op dit artikel.

De verdere in dit no. 25 sub a bedoelde beslissingen zijn de volgende:

36. De bepaling in een provinciaal reglement op de wegen [hier dat van Zeeland, in het arrest aangehaald] dat het onderhoud der wegen blijft ten laste van hen, die er toe verplicht zijn bij het in werking treden van dat reglement, strekt voor Ged. Staten bij de vaststelling van den ligger tot richtsnoer, maar is niet de rechtsgrond voor de geldigheid van den bij den ligger eenmaal wettig opgelegden onderhoudsplicht. — Zoo H. R. 19 Febr. 1906, vermeld hiervóór op p. 356; zie mede p. 358 en 376. Het slot der hier geciteerde overweging behelst m.i. een onjuistheid. Al neemt men aan, gelijk de H. R. implicite doet, dat de ondeihoudsplicht rechtsgeldig bestaat, ook al is hij opgelegd zonder dat bedoeld

!) Vgl. Pasicrisie, Alph. Ged. I i. v. Cassatie in strafzaken no. 332 : H. R. 10 Nov. 1846 W. 794, R.spr. 25 § 58, v. d. Hon. Sr. 1846 II p. 359; H. R. 2 Maart 1847 W. 849, R.spr. 25 § 79, v. d. Hon. Sr. 1847 I p. 118. Zie laatstelijk H. R. 24 Juni 1907 W. 8576, P. v. J. 689 p. 2, en H. R. 23 Dec. 1907 W. 8637, R.spr. 207 § 41, P. v. J. 724, bij welke arresten is beslist dat als naleving eener bepaling niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, en de veronachtzaming geen substantieelen vorm betreft, ten gevolge waai van de behandeling der zaak zou ophouden een behandeling in den zin der wet te zijn, — zij niet tot cassatie kan leiden. — Als voorbeeld eener bepaling die een substantieelen vorm voorschrijft, vgl. art. 231 lid 1 Sv.; zie II. R- 9 Juni 1908 W. 8727, P. v. J. 779, en de daarbij behoorende concl. O. M.; vgl. ook de aanteekening der Red. W. 1.1. — Vgl. mede hierna p. 482 het daar geciteerde arr. II. R. 22 Jan. 1909 over de Markenwet.

Sluiten