Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deningen, doch m. i. enkel den doorslag zou mogen geven, als men er in kon slagen de in dit toetsingsrecht gelegen waarborgen overbodig te maken; vgl. no. 23 hiervóór. — G.st. 1.1. erkent bedoeld toetsingsrecht voor den rechter, ook als deze is het administratief gezag '), doch niet voor de administratie als zoodanig, — en meent dat art. 82 i. f. Prov. wet en art. 70 lid 4 Gem.wet kennelijk er van uitgaan dat de administratie de rechtsgeldigheid van genomen besluiten moet aannemen. M. i. is deze opvatting niet juist; vgl. p. 450 biervóór, speciaal de noot aldaar. Wel echter pleiten genoemde bepalingen tegen de radikale nietigheidstheorie van den Minister, hierboven sub b aangegeven; vgl. ook no. 19 sub c i. f. hiervóór. — Verder wijst de G.st. nog op art. 12 wet Alg. Bep., dat echter geheel buiten de kwestie staat.

cl. De leer dat een handeling van kracht blijft totdat zij is vernietigd, kan slechts opgaan, voorzoover die kracht eener handeling strekt. Zoo is de kracht van een vonnis in de eigenlijke rechtspraak gelegen in de uitspraak omtrent hetgeen rechtens is, en wat dientengevolge moet geschieden; die van een administratieve handeling (in den ruimsten zin, ook verordeningen omvattend), in de beslissing omtrent hetgeen moet gedaan of nagelaten, als al dan niet vereischt door het algemeen belang. Maar omtrent eigen wettigheid beslist die administratieve daad niet, en haar rechtskracht (d. w. z. haar kracht rechtens) hangt in het algemeen af van die wettigheid, te beoordeelen zoowel door hooger administratief gezag als door den rechter. Dit beginsel kan bij de leer van den Raad van State, wordt zij algemeen doorgevoerd, niet tot zijn recht komen, omdat zij dan wettige en onwettige daden op één lijn moet stellen.

De hier besproken vraag verdient uitvoeriger behandeling dan te dezer plaatse mogelijk is, gelijk de geheele leer der nietigheden in het publieke, of ruimer in het korporatieve recht. Daarbij zou misschien als hypothese deze stelling kunnen dienen

1) Of overigens in casu de beslissing van Ged. Staten en Kroon krachtens artt. '19—21 wet 1900 Stbl. 176 rechtspraak was, gelijk G.st. 1.1. meent, kan hier in het midden blijven,

31

Sluiten