Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat, buiten het geval van incompetentie, onwettige ambtsdaden, tenzij dit aldus is bepaald, niet geheel krachteloos zijn, zoo niet essentieele voorschriften zijn verwaarloosd, — maar dat zij toch, voorzoover onwettig, geen verplichtingen buiten ambts- of dienstverband kunnen opleggen, waar dit niet uit een speciale wetsbepaling volgt. Ygl. hiervóór p. 460—463. Zie ook de in no. 15 sub b vermelde beslissingen, niet erkennend de verplichting tot betaling, t. a. p. aangeduid. Daarhij vgl. Oppenheim Ned. Gem.recht, 3e ed., I nt. 2 op p. 545—546. — Als essentieele voorschriften zouden dan, naar het mij voorkomt, moeten worden aangemerkt die, welker naleving over het algemeen noodzakelijk is, zal de wet haar doel niet missen; zie ook in W. 8713 de aanteekening der Re'daktie bij H. R. 11 Mei 1908. Ygl. mede de geldende leer bij geschillen over verkiezingen, dat n.1. slechts onwettigheden, die invloed konden hebben op den uitslag eener verkiezing, deze vitieeren. — Zie hierbij verder H. R. 22 Jan. 1909 W. 8806, P. v. J. 824, (contra O. M.) aannemend dat de in art. 16 lid 2 der Markenwet van 10 Mei 1886 Stbl. 104 voorgeschreven aanplakking niet mag voorafgaan aan de daar bedoelde nederlegging, en dat, heeft dit toch plaats gehad, er geen aanplakking in den zin der wet is geschied. — Ygl. ook p. 474 nt. 1.

Het zooeven aangeduide stelsel schijnt mij toe grootendeels te ondervangen het bezwaar van den Raad van State tegen des Ministers leer betreffende verwarring in het bestuur (zie hierboven sub b). Deze mogelijkheid wordt, indien ik mij niet bedrieg, dan tot zóó geringe afmetingen beperkt dat het nadeel er van

i) Immers radikale nietigheid bestaat er dan slechts bij uitzondering, zoodat b. v. onwettige benoemingen door bet competent gezag meestal niet als ongeldig kunnen beschouwd. Dat door een materieel onwettige bestuursdaad geen verplichtingen kunnen opgelegd, zal ook wel eens tot praktische moeielijkheden aanleiding geven (vgl. ook in W. B. A. 3114 p. 2 kol. 2: uit het Verslag Ged. Staten v. Gron. van 1818). Maar m.i. is opheffing dier moeielijkheden te duur gekocht door als algemeenen regel aan te nemen de onderworpenheid der burgers aan onwettige bevelen van de administratie, tot zoolang deze zijn vernietigd door hooger administratief gezag.

Sluiten