Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te duchten, niet opweegt tegen de voordeelen van het stelsel. En waar dit anders mocht zijn, daar staat het den wetgever immers vrij de noodige voorziening te treffen. — Vgl. ook de p. 454 .hiervóór geciteerde dissertatie van Prins, p. 57—60 ').

e. Of voor een konkreet geval radikale nietigheid eener omcettige benoeming moet worden aangenomen, kan soms zeer twijfelachtig zijn. — Bij het hierboven sub b geciteerde Kon. Besl. van 6 Mei 1907 gold het de bepaling van het provinciaal reglement dat niet mocht benoemd, wie in zekeren graad van bloedverwantschap stond tot een reeds funktioneerend beambte. Dat overtreding dier bepaling zou meebrengen de benoeming rechtens als niet geschied te moeten beschouwen, spreekt m. i. niet vanzelf. Ontkend werd dit ook in de concl. O. M. vóór Hof v. Cass. in België, geciteerd hiervóór p. 472 nt. 1. Ygl. de nota van Farncombe Sanders bij Arntzenius, Handel, herzien. Grw. (1887) 4 p. 189—140, en daartegen G. A. v. Hamel in T. v. S. I p. 276. Over een ander geval van onwettigheid eener benoeming zie W. Jellinek (p. 443 hiervóór geciteerd) p. 86 en noot 2 aldaar.

Voorzoover benoemingen en verkiezingen 2) ten deze mogen

!) Mocht men als een ander gevolg der onwettigheid eener bestuursdaad willenstellen dat deze dan geen bestaande rechten of bevoegdheden kan ontnemen, al blijft ze overigens gehandhaafd tot haar vernietiging, dan zou, ging dit op, ook vervallen het p. 440 v. b. geopperde bezwaar tegen het daar besproken arr. Hof Leeuw, van 1896. Immers dan zou, al blijft men na een onwettig ontslag geen ambtenaar, het recht op traktement toch voortduren. Vgl. echter tegen deze opvatting p. 447 nt. 2 En evenals, gelijk in die noot is opgemerkt, een blijvend recht op ambtenaars-traktement, toekomend aan hem, die geen ambtenaar meer is, weinig aannemelijk schijnt, evenzoo kan ook, wordt b v. een drankvergunning ten onrechte ingetrokken, kwalijk worden volgehouden dat de betrokkene desniettemin behield de bevoegdheid, die hij krachtens de vergunning had. — Anders was het gesteld bij de op p. 406 vermelde procedure over het ontslag als Ridder der Militaire Willemsorde, inzoover het daarbij gold een ingevolge incompetentie van het administratief gezag radikale nietigheid; vgl. ook hieronder sub e i. f.

2) De daarop betrekking hebbende hier opgenomen beslissingen behelzen incidenteele overwegingen op dit punt; hierboven p. 482 midd. werd gedoeld op

Sluiten