Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechter onontbeerlijk èn in de strafrechtspraak ') (vgl. Lippmann's opmerking, geciteerd p. 496 v. o. hiervóór, èn waar het de administratieve rechtspraak geldt, ook als zij wordt uitgeoefend door de gewone rechterlijke macht, —hetzelfde is m. i. het geval, waar deze laatste heeft te beslissen over de in art. 2 R. O. genoemde rechten, althans indien men daarvoor niet wil invoeren het omslachtige stelsel van schorsing met verwijzing naar den administratieven rechter, opdat deze telkens de bestuursdaad beoordeele (vgl. ookp. 246—248 en het hieronder p. 512 -515 gezegde over bestuursdaden, inbreuk makend op burgerlijke rechten). En welke reden zou er zijn om hetgeen noodzakelijk moet gelden voor de rechtspraak, bij speciale wetsbepaling over administratieve aangelegenheden opgedragen aan de rechterlijke macht (vgl. hierboven p. 506 v. o.), niet evenzeer van toepassing te achten bij die, haar toekomend krachtens art. 2 R. O.? Onze jurisprudentie vat deze bepaling zóó op dat zij ook omvat geschillen, waarbij de administratie als zoodanig partij is; zie op art. 2 R. O. sub E. Is die opvatting juist, dan sluit het art. noodzakelijk in dat, voorzoover het noodig is voor zijn eindbeslissing, de rechter bestuursdaden aan de wet heeft te toetsen, althans bij wijze van louter praejuclicieele beoordeeling. — Maar ditzelfde geldt ook bij de engere interpretatie van art. 2 R. O., als in een geschil tusschen partikulieren de beslissing afhangt van de beoordeeling eener bestuursdaad 2).

Is het te doen om een louter praejudicieele beoordeeling deibestuursdaad, dan is het ook onverschillig of die daad inbreuk maakte op een burgerlijk recht of niet. Vgl. het p. 499—500

!) In het strafgeding is die beoordeeling altijd louter praejudicieel; zie hiervóór P. 309 en 312—313 ja. p. 271.

2) Bij het in den tekst gezegde moet niet uit het oog worden verloren dat, wordt van den rechter een bevel verlangd, dat hij aan de administratie niet geven mag, die vordering niet-ontvankelijk moet verklaard. Vgl. p. 42 —45, 56 jis. 216—217 en Alg. Begins. XIX nos. 2—9. Maar daaruit volgt niet dat gelijke niet-ontvankelijkheid is aan te nemen, enkel wegens een vermeend niet mogen beoordeelen van bestuursdaden door den rechter.

Sluiten