Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hiervóór naar aanleiding van Hoffman's stelsel daaromtrent opgemerkte.

Hoe echter is het in de gevallen, waarbij de beoordeeling door den rechter van de bestuursdaad noodzakelijk insluit zijn de administratie bindende beslissing ten aanzien der rechtmatigheid harer daad (vgl. hiervóór p. 447—448)? — Zulk een bindende beslissing, die bij onrechtmatigverklaring m. i. vanzelf meebrengt de verplichting der administratie om zich verder van gelijke daad jegens de tegenpartij te onthouden (vgl. het volgend no. 38), kan den rechter niet toekomen, ingeval een ander bij uitsluiting competent is om over de wettigheid der bestuursdaad uitspraak te doen; vgl. p. 200—201 ').

Is er in administratie naar ons staatsrecht rechterschap opgesloten ook zonder nadere wettelijke opdracht (vgl. Thorbecke, Aanteekening 2e ed. II p. 160), — in verband met de beperkte strekking toekomend aan de artikelen, naar de elkaar opvolgende lezingen der Grondwet korrespondeerend met art. 155 Grw. 1887 (zie Thorbecke 1.1., vgl. op art. 1 R. O. sub B no. 4), leidt dit tot de gevolgtrekking dat de Regeering ook bij ons, voorzoover er op dit stuk geen speciale wettelijke bepalingen bestaan, heeft een juridiction retenue 2) ten aanzien van bestuursdaden 3). — „Heeft"; want al is het (overigens aan art. 149 Grw. 1848

1) Op p. 274 reg. 6. v. o. moet dan ook gelezen: voor hem louter praejudicieele kwestie.

2) Deze term wordt hier voornamelijk kortheidshalve gebezigd. Het komt minder aan op den naam, dan op de zaak, n.1. op het in de administration opgesloten rechterschap, dat aanwezig kan zijn ook zonder juridiction retenue, zooals bij Ged. Staten of B. en W, zie hieronder.

3) Vgl. op art. 1 R. O. t. a. p., en verder de nota van Farncombe Sanders bij Akntzenius, Handel, herzien. Grw. (1887) 4 p. 144 v. b. jls p. 141—142, waar wel niet uitdrukkelijk, maar toch implicite de in den tekst bedoelde meening is gehuldigd. — Zie voorts A. F. de Savornin Lohman, Onze Constitutie 2e ed. 1907 p. 238, speciaal v. o., j1* p. 103, 233—235, die echter dit standpunt niet inneemt; vgl. denzelfde in Handn. Tweede Kamer 1907—1908 p. 2095.

Sluiten