Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijkluidende) art. 155 Grw. 1887 ') in strekking door art. 154 gewijzigd, zoodat het een ruimer gebied bestrijkt dan art. 149 voormeld, — die gebiedsverruiming is door dit art. 154 afhankelijk gesteld van nadere wettelijke regeling. Zoolang deze ontbreekt, blijft de juridiction retenue, was die vroeger aanwezig, ook nu voortbestaan. — Maar, al neemt men zulk een jurisdiktie aan, die dan voor de Regeering moet steunen, hetzij op het algemeene art. 10 Grw. 1.887 (art. 12'Grw. 1815, art. 11 Grw. 1848) j°. art. 55 Grw. 1887 (art. 54 Grw. 1848), hetzij enkel op historische rechten der Kroon, — dan is er daarom nog geen aanwijzing van de Kroon als rechter, met uitsluiting van anderen. Daargelaten dat het in den aard eener juridiction retenue ligt om te wijken voor de juridiction déléguée,' naarmate die delegatie plaats heeft; — voorzoover de gedelegeerde jurisdiktie niet dezelfde onderwerpen omvat als vroeger behoorden tot de juridiction retenue, doch enkel een praejudicieele, zij het een bindende, beslissing noodig maakt over zoodanig onderwerp, blijft dit laatste wel op zich zelf behooren tot die juridiction retenue, maar dan als concurreerend met de gedelegeerde jurisdiktie voor wat betreft het voor die laatste praejudicieele geschilpunt. Ygl. het gezegde hiervóór p. 77 (no. 1 i. f.) ja. p. 76, alsmede p. 201. — Is het bovenstaande juist, dan is ook, al neemt men een juridiction retenue aan ten opzichte van bestuursdaden, daaruit geen argument te putten om aan de rechterlijke macht de zelfs bindende praejudicieele beoordeeling dier daden te ontzeggen.

Met de zooeven bedoelde juridiction retenue staat echter niet op één lijn de administratieve rechtspraak, die krachtens bizondere 'wetsbepaling is opgedragen, hetzij aan de Kroon, hetzij aan andere organen der administratie (Ged. Staten, enz.). Die opdracht zal, zijn er geen bizondere gronden om het tegendeel aan te

!) Opgemerkt worde dat „rechterlijke macht" in art. 155 een andere beteekenis heeft dan in art. 166 Grw., over welke laatste bepaling zie de Savornin Loiiman 1.1. p. 256—257 en Buijs, De Grondwet 111 p. 328. — Vgl. ook öp art. 1 R. O. sub A.

Sluiten