Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mem. van Toel. op het ontw. Wetb. v. Adm. Rv.) de burgerlijke rechter geen bindende beslissing over bestuursdaden mogen geven, doch wèl een louter praejudicieele (zie § 36 dier Mem. v. Toel.), terwijl aan de Invoeringswet regeling der dan noodige schorsing wordt voorbehouden. — Dit stelsel strookt ook met het hierboven gezegde, zoo n.1. de competentieopdracht van art. 2 b moet aangemerkt als bij uitsluiting te gelden. En wat betreft inbreuken op burgerlijke rechten, — daar volgens het ontwerp dezelfde rechterlijke macht competent zal zijn èn voor de burgerlijke èn voor de administratieve rechtspraak is er althans geen grondwettelijk bezwaar om in de Invoeringswet voor dit geval schorsing der civiele vordering tot na uitwijzing van het administratief geschil voor te schrijven.

g. Ook uit hetgeen vóór de Revolutie hier te lande gold, kan geen wapen gesmeed ter verdediging van de leer dat de rechterlijke macht bestuursdaden niet mag beoordeelen. Al zou die leer toen onbetwistbaar hebben geheerscht, wat intusschen niet het geval was ')j — dan nog is het bestaande staatsrecht zóó verschillend van het vroegere, dat dit hier geen dienst kan doen ter verklaring van het tegenwoordige. In het bizonder hebben

!) M. i. mag men zich ten deze niet beroepen op hetgeen over den toenmaligen toestand wordt medegedeeld, voor ons land door R. Fruin, Tien Jaren uit den tachtigjarigen oorlog, 3e ed. (1882) p. 45- 46, en H. Vos, Publiekrechtelijke geschillen, p. 212—216, — alsmede voor geheel het vasteland van Europa door Gneist, Der Rechtsstaat, 2e ed. p. 149 en 152. Deze mededeelingen hebben voornamelijk betrekking op de bevoegdheid der toen bestaande rechterlijke macht om over politieke besturen te vonnissen betreffende daden van politiek belang, speciaal ten opzichte hai~er doelmatigheid ; zie ook Pestel, De Republica batava ed. 1795 II, 2 p. 765—766, geciteerd bij Vos 1.1. p. 215—216, en uitvoeriger bij P. Tjeenk Willink, Publiekrechtelijke geschillen in de Republiek der Vereenigde Nederlanden, diss. Leiden 1893 p. 29—32, vgl. ook p. 27—29. Zie de door Frdin genoemde Resolutie van 1591 in het Groot Placcaetboek II (1664) p. 1061—1064, en daarover A. Kluit, Historie der Ilollandsche Staatsregering... 3 (1803) p. 52—54. Zie verder Tjeenk Willink 1.1. p. 104—107 j's p. 16—18 en 37—72. Bij Gneist 1.1. vgl. ook Ansciiütz (p. 497 nt. 3 hiervóór geciteerd) p. 340—341, en Tezner (p. 461 nt. 1 hiervóór geciteerd) nt. 70 op p. 25—26.

Sluiten