Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij anders die beoordeeling, zelfs louter praejudicieel, ongeoorloofd achtte ; vgl. hiervóór nos. 11 en 12 met no. 6 ; zie echter ook no. 10.

Wat die zooeven bedoelde jurisprudentie betreft, uit het p. 512—514 gezegde volgt dat die van no. 11 instemming verdient. Voor die van no. 10 is te onderscheiden naarmate, toen het vonnis viel, voor de bestuursdaad wettelijke aanwijzing van een administratief rechter bestond of niet, en dan of er inbreuk op een burgerlijk recht zou hebben plaats gehad. (Vgl. ook hiervóór p. 56 ') en p. 228—229 sub a en b). In de twee laatstgenoemde gevallen schijnt de ontzegging aan den rechter van het hier bedoelde onderzoek niet juist te achten 2). — Ten opzichte der in no. 12 geciteerde jurisprudentie zou, — is het p. 510-512 v. b. jis. 513 v. o.—514 uiteengezette aannemelijk, — slechts bedenking zijn te opperen, als in een daarbij berechte zaak krachtens speciale wetsbepaling een ander rechter bij uitsluiting was aangewezen ter beslissing over de bestuursdaad.

Vernietigen (ongedaan maken, buiten effekt stellen) mag de rechter een handeling, dus ook een bestuursdaad, alléén krachtens wettelijke machtiging daartoe.; vgl. biervóór no. 16 sub d in den aanhef. Hetgeen sub Alg. Begins. III no. 1 is gezegd omtrent 's rechters competentie tot rechtspraak, geldt ook waar die competentie aanwezig is, ten aanzien zijner bevoegdheid tot aktief ingrijpen : zij moet steunen op de wet. — Hierbij moet intusschen in het oog worden gehouden dat, als het administratief gezag incompetent was, de handeling radikaal nietig is, zoodat de buiten-effektstelling dan slechts kan zijn het gevolg der uitspraak van een te voren al bestaande nietigheid. Vgl. hiervóór p. 443, alsmede no. 14 sub c, voorzoover het daar gold incompetentie van den deurwaarder tot het betalings-

!) Aldaar in den zesden regel van no. 46 is achter „alleen" uitgevallen: in den hier onderstelden gedachtengang van den H. R,

2) Overigens zou dit onderzoek dan, althans voor zoover het niet gold een inbreuk op een burgerlijk recht, hebben kunnen leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van eischer op dezen grond dat artt. 4401 vlgg. B. W. niet toepasselijk waren; vgl. p. 216—217.

Sluiten