Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoover handelend over het voor den rechter oncontroleerbaar oordeel der administratie) tot het vorig hoofdstuk XVI: p. 401 (noot), p. 464, 468—469 en 518 (no. 41); vgl. p. 195 nt. 1. — Hoofdstuk XVII tracht een antwoord te geven op de vraag, wanneer volgens onze jurisprudentie het hierboven aangeduide geval voor den rechter, speciaal voor onze rechterlijke macht aanwezig is, — waar dit niet reeds zonder twijfel volgt uit de redaktie van den wettelijken, reglementairen of contractueelen norm, die in het gegeven geval in aanmerking komt ').

b. De in de volgende nos. opgenomen jurisprudentie betreft twee rubrieken van omstandigheden, waarover het eindoordeel is aan anderen dan den rechter:

(lo.) die, waaromtrent het eindoordeel bij wettelijk voorschrift

1) Het geldt hier in hoofdzaak het eindoordeel van anderen, dat krachtens een wettigen norm zelf praejudicieel is voor den rechter, hetzij dit blijkt uit de redaktie van dien norm, hetzij uit het verband met andere bepalingen, of wel dat het moet aangenomen om overwegende redenen, nader te vermelden in no. 22 A sub b (2°) — alwaar vgl. de noot op p. 572—573-—j°Bsube; zie ook nos. 45 en 56. De rechter heeft dan te eerbiedigen het bedoelde eindoordeel van anderen als element voor het ontstaan van rechtsverhoudingen. Hoofdstuk XV § 3 daarentegen had voornamelijk betrekking op voorafgaande beslissingen van anderen dan den rechter over een geschilpunt, dat voor den laatste niet slechts schijnbaar, maar werkelijk praejudicieel was, en waarbij de jurisprudentie toch aannam zijn gebondenheid aan bedoelde voorafgaande beslissingen, die liepen over reeds bestaande rechtsbetrekkingen. De term „eindoordeel" in het opschrift van dit hoofdstuk XVII moet niet al te absoluut worden opgevat (vgl. ook de noot op p. 519). Er is óók niet onder begrepen het overgelaten zijn van iets aan het oordeel van het administratief gezag, uitspraak doende als rechter; vgl. Alg. Begins. XV no. 36.—Vgl. hierna'jin no. 45 sub a over het verschil tusschen opdracht van rechtspraak en het overlaten van zekere vraag aan iemands eindoordeel.

Wordt bier voornamelijk gedoeld op de eventualiteit dat aan dengeen zelf, die te handelen heeft, behoudens beroep op hiërarchisch hooger gezag, is overgelaten het eindoordeel over de vraag, of en hoe hij handelen moet, als ook over de aanwezigheid der voor dit handelen gestelde vereischten, — daaronder kunnen ook gerangschikt de in hoofdst. XV nos. 70 en 76 vermelde beslissingen, t. a. p. opgenomen wegens haar motiveering. Vgl. mede aldaar no. 87.

Sluiten