Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hierna. — Tegen het vonnis der Rechtbank is de cassatie verworpen door H. R. 3] Dec. 1897 W. 7063, R.spr. 177 § 53, v. d. Hon. B. R. 63 p. 318, P. v. J. 1898 no. 3, op grond dat uit de artikelen van het provinciaal waterschapsreglement in onderling verband volgde de bevoegdheid van het bestuur tot de gegeven aanwijzing. Hierbij vgl. H. R. (K. v. Sz.) 4 Mei 1858, geciteerd op p. 364.

Bij het hier vermelde vonnis der Rechtbank worde opgemerkt dat het m. i. ten onrechte mede motiveert met het onbestemde van het woord „kant". De beteekenis van een vagen term moet door den rechter worden onderzocht; zie hierna no. 45 sub b. Buitendien is bedoeld woord ook niet onbestemd: vgl. „op het kantje af". Maar niet op „kant", doch op „verwijderen" had m. i. hier de nadruk moeten zijn gelegd. Nu het reglement niet aangaf hoever van den kant de verwijdering moest plaats hebben, volgde — gelijk de Rechtbank terecht zegt — uit art. 2 no. 1 der wet van 1841, dat het waterschapsbestuur bij nalatigheid van den tot slatting verplichte het door dat bestuur noodig gekeurde werk te zijnen koste mocht doen uitvoeren. En de verplichting tot verwijdering op den door het bestuur aangegeven afstand, berustte op het reglement in verband met de bevoegdheid van dat bestuur tot zijn uitvoering. De doelmatigheid nu ten opzichte van het waterschapsbelang ') der bestuursmaatregelen ter verzekering der uitvoering van het reglement was, mede ingevolge art. 2 no. 1 der wet van 1841, overgelaten aan het eindoordeel van het administratief gezag. Ygl. ook hierna no. 22 A aanhef j°. sub b. Zie voorts no. 45 sub c:

!) In zoover verschilt het hier besproken geval van het vermelde op p. 253—254 (no. 29) dat, terwijl het in beide aankwam op een maatbepaling, deze hier wèl, daat' niet — had te geschieden met het oog op het belang der betrokken gemeenschap. Daarom volgde in de civiele zaak van dit no. 19 uit de taak van het bestuur, dat hieraan toekwam het eindoordeel in de maatbepaling, en was dit anders in de strafzaak, berecht door H. R. 27 Dec. 1897. Daarin kon dan ook het oordeel over de maatbepaling niet, gelijk hier, worden aangemerktals stilzwijgende voorwaarde voor de wettigheid van het administratieve optreden.

Sluiten