Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2©. i. De doelmatigheid eener voorwaarde, door den Burgemeester verbonden aan een vergunning, die hij verleende krachtens art. 188 Gem.wet, staat te zijner beoordeeling [d.w.z. niet van den rechter]. — Zoo H. R. 5 Dec. 1904 W. 8152, R.spr. 198 §45, G.st. 2787, W. B. A. 2899, de cassatie verwerpend tegen het in gelijken zin gewezen vonnis van Ktg. 'sGrav. 28 Juli 1904 W. 8104, G.st. 2767, W. B. A. 2897, waarbij was overwogen dat de rechter de nuttigheid dier voorwaarde niet mag beoordeelen, en ze moet eerbiedigen, ook bij gemis aan eenig verband tusschen het onderwerp der vergunning en de gestelde voorwaarde. — Hierbij worde aangeteekend dat art. 188 Gem.wet de wettigheid van het optreden des Burgemeesters niet afhankelijk stelt van de doelmatigheid daarvan.

Dat van een voorwaarde als hier bedoeld de wettigheid door den rechter wèl mag beoordeeld, is beslist door H. R. 29 Dec. 1905, Hof 's Grav. 29 Mei 1905 en Rb. 's Grav. 22 Juni 1904, alle vermeld op p. 438 (zie ook p. 482).

Bij dit no. 20 vgl. het volgend no. 21.

(III). Opmerkingen en litteratuur betreffende het voorafgaande.

31. Uit de in nos. 14 en 20 opgenomen arresten H. R. van 1895 en 1904 (dit laatste mèt het vonnis a quo) is af te leiden dat onze jurisprudentie blijkbaar niet de opvatting huldigt, als zou de rechterlijke macht een administratieven maatregel buiten toepassing mogen laten wegens gebruik (misbruik) van ambtsgezag voor een ander doel dan waarvoor dit is toegekend — bij de Fransche administratieve rechtspraak bekend als détournement de pouvoir ') —, het zij dan dat het van 't gezag gemaakte

!) Vgl. Hauriou (p. 442 hiervóór geciteerd) p. 290 -291; Laferrière (p. 401 geciteerd) II, le ed. 1888, p. 521—533; Ducrocq (p. 494 hiervóór geciteerd) II no. 431 p. 34—35; Artur in Revue de droit public 20 (1903) p. 455—475jis p. 475—480. In Frankrijk kan wel bij den Gonseil d'État geklaagd wegens détournement de pouvoir, maar het Hof v. Gass. erkent het op zich zelf niet als een nietigheidsgrond voor de rechterlijke macht; zie Laferrière 1.1. p.532 v. o. Vgl.

Sluiten