Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de laatstbedoelde eventualiteit voor het verordenend gezag nos. 3 sub a, 4, 5 sub d, 6, 8 en 9, voor de administratie in engeren zin nos. 13 en 18, vgl. ook nos. 16 en 19 ').

Ten aanzien van verordeningen kan hier — en wordt dan ook in de jurisprudentie veelal — een beroep gedaan op art. 11 wet Alg. Bep. 2), als men n.1. uitgaat van de opvatting, naar welke in dit artikel onder „wet" moet worden verstaan omne quod legis habet vigorem. Maar — hoe men hierover ook denke — het beroep op bedoeld art. 11 faalt in elk geval bij de handelingen der administratie in engeren zin.

a. Zijn er geen voorbeelden dat door de rechterlijke macht van deze laatstgenoemde handelingen de doelmatigheid wordt onderzocht, in het geval dat zij niet van invloed is op de rechtmatigheid er van, — dit vindt gereede verklaring hierin dat dan de beleidskwestie zoo goed als nooit praejudicieel is voor burger-

wtjst er op dat hel begrip «freies Ermessen» ruimer is dan dat, aangeduid door het woord doelmatigheid: o.a. heeft de administratie soms te kiezen tusschen verschillende doeleinden. En, waar het doel vaststaat, zijn veelal niet enkel doelmatigheidsoverwegingen aan haar eindoordeel overgelaten, maar ook die omtrent hetgeen fatsoenlijk en behoorlijk is, b.v. takt en humaniteit bij armenverzorging. Müi.ler geeft echter toe dat het meestal neerkomt op doelmatigheidskwesties.

1) Overigens is het dubieus of de doelmatigheidsvraag naar de redaktie deiwet in het geval van no. 3 sub a de wettigheid van het Kon. Besl. bepaalde. In no. 5 scheen dit wèl zoo voor de verordeningen, waarop betrekking hadden de arresten, aldaar vermeld sub d i.f. Daaromtrent vgl. echter ook het hierna in den tekst op p. 564 v. o. gezegde. Bij de andere in no. 5 geciteerde beslissingen was het weer niet het geval, als men voor art. 135 Gem.wet den nadruk legt op het slot dier bepaling. Maar waar vooral in de oudere jurisprudentie van den H. R. die slotwoorden nogal eens zijn verwaarloosd, had dit tengevolge dat de H. R. kwam te staan voor de vraag of de rechterlijke macht de behoefte der gemeente aan de verordening had te onderzoeken; vgl. bedoeld no. 5 sub a jls c—d. — In nos. 3 sub b en c, 7, 10—12, 14, 15, 17 en 20 was de beleidvraag klaarblijkelijk voor de wettigheid niet ter zake dienend.

2) Niet steeds echter gaat dit op. Zie het p. 529 naar aanleiding van de Bosch Kemper's meening gezegde. Vgl. ook no. 8: het spoedeischende naar art. 171 Gem.wet.

Sluiten