Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

562

Inleid, wet E. O. — Alg. Begins. XVII.

speciaal artt. 38—41 wet 10 Nov. 1900 Stbl. 176l) (vroeger artt. 7—9 wet 12 Juli 1855 Stbl. 102); artt. 13 jis. 18 en vlgg. wet 9 Mei 1902 Stbl. 54 (vroeger artt. 15 j°. 13 wet9 0kt. 1841 Stbl. 42).

Geheel anders is het bij de thans bestaande administratieve rechtspraak, niet opgedragen aan de rechterlijke macht. Daarover vgl. hieronder p. 581—591.

b. Hoe is het te verklaren dat de jurisprudentie, ook waar naar de redaktie eener wetsbepaling de rechtmatigheid van een bestuursdaad (hier in den ruimen zin, die verordeningen omvat) van haar doelmatigheid afhangt, — dit laatste punt niet onderzoekt? (Ygl. de in den aanhef van dit no. 22 geciteerde nos.). Is dit standpunt juist of niet?2)

Op het eerste gezicht ligt het voor de hand de laatstgestelde vraag ontkennend te beantwoorden. Heeft de rechter niet elk

!) Hierover zie Schepel, Waterschapswetgeving p. 316 - 319. Deze keurt de regeling af, daarbij aanknoopend aan Roëll en Oppenheim in R. Mag. 21 p. 49. Zie ook Levy, Admin. Rechtspr. p. 13—14, en Tezner, Zur Lehre p. 14—16. Anders Arntzenius in Themis 1902 p. 508 jls 490- 494. Vgl. het hierna p. 565—570 gezegde, en onder B sub d—e.

2) Stelt men aldus de vralag, die dezelfde blijft of het gaat om administratieve dan wel om andere rechtspraak, — zoo blijkt dadelijk de onjuistheid deibewering van Tezner, Die deutschen Theorieen p. 102—103 en p. 211, als zou het probleem van het «freie Ermessen» niet kunnen ter sprake komen bij een admin. rechtspraak, die — georganiseerd als waarborg voor rechtmatigheid en onpartijdigheid van het optreden der administratie — niet onderscheidt tusschen subjektieve reehten en bloote belangen. Deze meening zou slechts dan kunnen opgaan, als de nadruk enkel valt op een onderzoek overal dan niet partijdig optreden der administratie, geheel afgescheiden van zijn wettigheid. Maar zij geldt niet bij een stelsel als dat, neergelegd in art. 84 Ontw. 1905 Wb. v. Adm. Rv. Het schijnt niet zonder belang hierop te wijzen, nu de mogelijkheid bestaat dat het gemis aan bepalingen in dit ontwerp ter oplossing van de z.g. beleidskwestie (zie in den tekst dit no. 22 B sub e in den aanhef), voortkomt uit de te verwerpen onderstelling, als zou reeds het niet aannemen eener admin. rechtspraak enkel dienend tot bescherming van subjektieve rechten, zulke bepalingen overbodig maken. Vgl. ook Bijl". Handn. Tweede Kamer 1905—1906 no. 63 (5) p. 43, waar de Regeering schijnt uit te gaan van Tezner's in deze noot bestreden zienswijs. Zie intusschen ook 1.1. p. 11.

Sluiten