Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleicl. wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

563

geschilpunt te onderzoeken, waarvan de beslissing der hoofdzaak afhangt (vgl. hiervóór p. 195—197 v. o.), en geldt dit dan niet ook voor het hier bedoelde?1) Al heeft het den schijn dat de logika geen andere conclusie toelaat, toch zal men, dunkt mij niet het oog mogen sluiten voor zich opdringende tegenwerpingen, in het hier volgende ontvouwd.

(1°). In de eerste plaats moet er op gewezen — en dit heeft, gelijk ook in het algemeen het hieronder sub (2°) opgemerkte, m. i. mede belang voor de administratieve rechtspraak naar het Ontw. 1905 — dat bier vaak de schijn bedriegelijk is om de volgende reden. Meermalen is men licht er toe geneigd als een wettelijk vereischte voor het optreden der administratie aan te merken, wat dit, wel beschouwd, toch niet is. Dat de administratie het algemeen belang heeft te behartigen is waar, ook al zegt de wet het niet. En als de wet het wèl zegt, is dit een vrij overbodige vermelding, waaraan niet het gewicht toekomt, dat er in deze kwestie veelal aan wordt gehecht.2) Als b.v. een wettelijke bepaling gelijk die in no. 18 vermeld, aan de administratie iets veroorlooft mits de dienst het kan lijden, dan zou voor haar die voorwaarde evengoed gelden, als zij in de wet ontbrak. Stonden de woorden er niet, niemand zou er aan twijfelen dat aan de administratie het eindoordeel op dit punt verbleef. Maar waarom zou dit nu anders zijn geworden door de overtollige inlassching in de wetsbepaling? Men vergelijke, om een ander voorbeeld te noemen, ook eens art. 155 Grw. 1815

!) In dien zin voor de admin. rechtspraak Tezner, Zur Lehre p. 93, 110, 121 v. o.; v. Idsinga, De Adm. Rechtspr. en de Const. Monarchie II (1896) p. VlII-Xjis. XV—XVI.

2) Zie in den geest van het in den tekst gezegde implicite ook H. Vos, Adm. Rechtspr. p. 299—300 en 320 - 321. — Hier blijkt weer de onjuistheid der stelling dat het overtollige nooit schaadt. Vgl. over de wetgevings-techniek voor dein dit no. 22 besproken kwestie de juiste opmerking van Stier-Somi.o (p. 461 geciteerd) p. 501—503. Vooral in Duitschland komen wettelijke bepalingen voor, als hier in den tekst bedoeld. Zie de voorbeelden genoemd bij Rehm in in Hirth's Annalen des deutschen Reiclis 1885 p. 97—99 en 102. Vgl. ook Leuthold 1.1. 1884 p. 399-403, 414-418.

Sluiten