Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

568 Inleid, wet II. 0. — Alg. Begins. XVII.

Het kan worden toegegeven dat men, als er geen rechter is, die deze taxatie verricht, soms kan zijn overgeleverd aan onrechtvaardige, speciaal aan partijdige beslissingen der administratie (vgl. ook de noot op p. 595—596). Intusschen hier is het enkel de vraag, of dit reden mag zijn om aan te nemen dat de rechterlijke macht, zooals zij nu is '), die waardeering behoort te verrichten. En zelfs waar uit een ontkennende beantwoording dier vraag mocht volgen het zooeven aangeduide euvel van rechteloosheid in sommige gevallen, dan nog geeft dit in deze niet den doorslag. Zeker is het een hoog belang dat ook de administratie wet en recht betracht. Maar nog daargelaten dat het gevaar hunner verwaarloozing te haren opzichte veel geringer is dan ten aanzien van partikulieren, die eigen belangen behartigen, terwijl zij opkomt voor die van anderen 2), — het gaat niet aan zich eenzijdig te plaatsen op het standpunt: fiat justitia, pereatmundus (res publica). Waar rechterlijke inmenging de administratie in de war zou kunnen sturen, met gevolg dat gewichtige algemeene belangen er onder zouden lijden, daar is onthouding door den rechter het minste kwaad. De afzonderlijke individueele (of korporatieve) belangen moeten dan achterstaan bij dat der gemeenschap, die allen omvat. Dit behoeft echter niet te beletten dat voor eerstgenoemde belangen op andere wijze wordt gezorgd, in die mate als met het laatstbedoelde is overeen te brengen 3).

De mogelijkheid van benadeeling der algemeene belangen door onoordeelkundige beslissingen daarover van den rechter bestaat vooral daar, waar het te doen zou zijn om een de administratie bindende oordeelvelling van zijn kant. Dan toch zou in het konkreete geval de opvatting over de behoeften der gemeenschap,

1) Respektievelijk, met het oog op de verwijzing van p. 597 hierheen, zooals die rechterlijke macht zijn zal naar de ontwerpen van 1905.

2) Vgl. Kan in R. Mag. 16 p. 345, en Arntzeniüs in Themis 1902 p. 501. Consequenties hiervan voor de admin. rechtspraak noemt Tezner, Die deutschen Theorieen p. 252 met nt. 107, p. 286—288, waarbij vgl. p. 295 nt. 201. Zie intusschen ook diens opmerkingen 1.1. p. 246—247.

3) Zie de tweede alinea der noot op p. 595—596.

Sluiten