Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

577

van 20 Dec. 1865 Stbl. 134 ')• Berustte bij genoemd arrest van 1867 de interpretatie nog op het verband van verschillende artikelen in éénzelfden wettelijken maatregel, — dit was anders in de nu te noemen arresten. Zie omtrent art. 4 sub a en b en art. 18 der wet van 12 Maart 1818 Stbl. 16 (sedert vervangen door de wet van 1 Juni 1865 Stbl. 60) — waarbij vgl. artt. 25 en 26 van het krachtens art. 3 dier wet uitgevaardigde K. B. 31 Mei 1818 Stbl. 25 — : H. R. 19 Juli 1870 W. 3238 p. 1, R.spr. 95 § 29, v. d. Hon. G. Z. 25, p. 225, en H. R. 4 Dec. 1861 W. 2350, R.spr. 69 § 27, v. d. Hon. G. Z. 18 p. 453. Hier gold het wel een verband tusscben verschillende bepalingen, maar waarvan één in de wet, en één in het K. B., welke laatste slechts wettigkon zijn, als voor de eerste reeds de hier bedoelde vrije interpretatie mocht gelden. — Ygl. verder hierna no. 33, alsmede de uitlegging door den H. R. gegeven aan het woord „vereischt" in art. 135 Gem.wet (hiervóór no. 5 sub d jo. a). — Zie voorts H. R. 23 Juni 1902 en H. R. 26 Mei 1902, vermeld hierna _ in no. 66. — Men zou dan ook verkeerd doen door te veel waarde te hechten aan den door H. R. 26 April 1864 (zie sub no. 31) gestelden eisch, dat het eindoordeel uitdrukkelijk moet zijn overgelaten. Het kan zeer wel volgen uit andere gegevens, en implicite zijn geschied. Juister ware „klaarblijkelijk" in plaats van „uitdrukkelijk" 2).

!) Zie nu K. B. 10 Juli 1896 Stbl. '104 — laatstelijk gewijzigd bij K. B. 4 Febr. 1907 Stbl. 27 — artt. 11, 25, 40, 43, 67, 88; en K. B. 1 Dec. 1889 Stbl. 173, art. 1, geredigeerd in den geest van het geciteerde arrest van 1867, zoodat de daarbij besliste kwestie zelf' nu is vervallen.

2) Bij het bovenstaande vgl. J. P. Fockema Andreae, Tien jaren rechtspraak van den II. R., diss. Leiden 1904 p. 171—173 j's p. 34—35, 43—54, 67—72 en 92 —93. Daarbij worde hier echter aangeteekend dat niet alle gevallen, waarin een letterlijke uitlegging der wet tot minder aannemelijke gevolgen leidt, met elkaar zoozeer gelijk staan, dat steeds om die gevolgen een vrijere interpretatie dan anders zou zijn geoorloofd. De vraag zal m. i. zijn of het gevolg inderdaad zóó onaannemelijk is dat de bedoeling der wet niet tot haar recht kan komen bij de grammatikale uitlegging (gesteld hier dat er niet reeds andere overwegende redenen zijn — b.v. ontleend aan de geschiedenis der bepaling — om den

37

Sluiten